gabriel

“Wat heb je gedaan vandaag?” Gabriel steekt een sigaret op als hij even bij mij aan tafel komt zitten. Hij heeft net op zijn gemak wat klusjes gedaan op het terras, maar het zweet gutst van hem af. En dat terwijl hij het toch het Copacabana-uniform draagt: een zwembroek en havianas.

Terwijl ik vertel over het Christusbeeld, en hij ondertussen luisterend knikt, kijken we uit over de Copacabana die langzaam oranje kleurt. De zon verdwijnt straks achter de heuvels. Gisteren heb ik daarachter de zonsondergang gezien. Surfers pakten er de laatste zichtbare golven mee.

“Het gaat zo regenen,” zegt ‘Gaga’ als het weer even een tijdje stil is.

“Hoe weet je dat?” vraag ik. Ik zie nergens een wolkje.

Hij tikt lachend op zijn smartphone die tussen zijn zwembroek en zijn buik geklemd zit. “We blijven hier zitten tot het echt regent, oke, dan zal je wat beleven.” Ik had verder geen andere plannen, dus ik vind het prima.

“Ben je hier opgegroeid?” vraag ik.

Hij knikt, wijst het huis van zijn ouders aan. Het is een flat, aan de rand van de favela. “Ik kom niet uit de favela, durfde er zelfs niet heen toen ik jong was. Mocht ook niet. Op school werd verteld dat hier alleen maar domme drugsgebruikende negers wonen. En dat is ook wel zo natuurlijk, kijk maar naar Rafa.”

Het is een merkwaardig rustige, soms zelfs verlegen jongen, met af en toe dan weer een grap die je niet aan ziet komen. De Rafa waar hij het over heeft is Rafael, de beheerder in het hostel. Hij woont hier en houdt het schoon. Hij is een jaar of twintig, pikzwart en hij rookt de hele dag marihuana. Puur, want hij moet hoesten van tabak. Toen vanochtend een beetje sluierbewolking het zicht over de baai beperkte, mompelde Gabriel “Rafa fumando” (Rafa is aan het roken). Rafa loopt de hele dag de trapjes tussen de huizen op en af om spullen bij verschillende huizen te brengen. De berg waar de favela tegenaan hangt is stijl en de trapjes tussen de huizen zijn ongelijk. De wat oudere bewoners zijn niet in staat om hun boodschappen zelf te halen en Rafa doet het graag voor een paar stuivers.

Hij is er nu niet, hij is voetballen op het strand. Elke dag tegen het einde van de middag een uur of twee. Er staan grote lichtmasten op het strand. Over de breedte van de gehele baai zijn jongens en meiden aan het handballen, rugyen, volleyballen en voetballen.

“Maar wanneer kwam je dan met het idee van dit hostel, als je er niet eens heen durfde?”

“Toen ik psychologie studeerde, begon ik te begrijpen dat mensen niet goed of slecht zijn. Maar dat als je mensen negeert en doet alsof ze niet bestaan ze zich daar ook naar gaan gedragen. Ik heb onderzoek gedaan naar het leefbaar maken van de favela’s. Ik kwam hier elke dag, sportte met de kinderen en praatte met de moeders. Wat later mocht ik ook praten met de vaders. We bouwden een sporthal, en een restaurantje, een supermarkt. Ik ging praten bij de gemeente. Ik werd wel gehoord, maar zij hadden geen recht van spreken.”

Van onderaan de favela stijgt een trommelgeluid op. Ik heb de bateria maandag gezien toen ik aankwam: een grote vent met een fluitje en een trommel en tegenover hem vijftien kinderen met trommels. Hij oefent elke middag met ze. Voor carnaval. Het ritme hoort bij dit tijdstip van de dag, de zon bijna onder, geen gehang meer, de wijk komt tot leven.

“Is dat nu anders.”

Gabriel knikt. Er komen kleine lichtjes in zijn ogen, terwijl intussen de zon helemaal weg is en dikke wolken over de zee aan komen drijven.

“Als je als mens geaccepteerd wordt, dan mag je bestaan. Dat doet wat met je zelfvertrouwen. Veel van de jongens hier hebben ideeën over bedrijfjes die ze kunnen beginnen. Er zit zoveel potentie in deze mensen. Onderschat nooit een groep onderdrukten.”

“Wat vinden de mensen hier van je hostel?”

“Ze vinden het leuk. Dat heb je ongetwijfeld gemerkt.” Ik glimlach en ik knik. Als ik met mijn non-favela uiterlijk de trapjes opkom, kijken de kinderen me met open mond aan, maar de moeders wijzen me de juiste treden en geven de groeten door aan Gabriel. Niet dat ik tegen hem kan zeggen van wie de groeten komen, maar ze kennen hem allemaal. Als ik dan wat verder naar boven kom en twijfel of ik nou links of rechts moet in de doolhof, roept er altijd een man vanaf een terras welke kant ik op moet. “Hoe komt het dat je zo rood bent? Het lijkt wel of je licht geeft!”

“Dat is mijn Hollandse huid,” roep ik in het Spaans terug. Hij lacht. “Piel holandesa,” herhaalt hij hoofdschuddend.

“Ze vinden het leuk omdat de toeristen zien hoe ze echt zijn. Toeristen worden zo vaak bang gemaakt, terwijl deze mensen eigenlijk gewoon heel goede mensen zijn.”

“En het WK en de Olympische Spelen?” wil ik weten. “Is dat goed of slecht voor deze mensen?”

“Goed,” knikt Gabriel. Ik kijk een beetje verbaasd.

“Natuurlijk kan het geld dat daaraan wordt besteed veel beter besteed worden, maar dat is bij elke regering in elk land. Het gaat erom dat er eisen worden gesteld aan de veiligheid van de steden die organiseren. Door de FIFA en door het Olympisch Comite. Die eisen zorgen ervoor dat de plannen die er lagen om het leven in de favela’s te verbeteren versneld worden ingevoerd. Denk je dat mijn onderzoek het enige onderzoek was? Kijk, we weten intussen dat het geen zin heeft om deze mensen een ander huis te geven. Dat kan niet meer. Deze mensen wonen hier hun hele leven. Ze willen bij elkaar blijven, want alleen hier voelen ze zich mens, voelen ze zich geaccepteerd. Het grootste probleem is niet hun huis dat lekt als de ziekte, maar dat ze zich genegeerd voelen door de rest van de bevolking van Rio. En nu heeft de regering dus iedereen stenen gegeven en een bak waarin water kan worden bewaard en het illegaal aftappen van elektriciteit wordt gedoogd en gecompenseerd door de gemeente. De levensstandaard van deze mensen wordt verbeterd. En de politie is nu 24 uur per dag in de favela’s. Drugs wordt niet meer getolereerd. Drugsdealers vertrekken vanzelf met zoveel politie. De criminaliteit is alleen maar afgenomen, omdat die altijd in combinatie met drugs ontstond.”

Ik heb hem de afgelopen dagen nog niet zoveel horen praten. Fabio, de buurman die elke avond even komt blowen met Tiago, ja die praat een hoop. Maar die spreekt Portugees en dat versta ik niet. Maar Gabriel zegt alleen het hoognodige en af en toe een grap.

De wolken komen dichterbij, de wind steekt op. Golfplaten klapperen, honden beginnen te blaffen en de kinderen die zojuist nog in een waterreservoire op het dak van een huis zaten te spelen, zijn er intussen uitgeklommen.

“Chuvaaaa,” klinkt het ineens van ver. Steeds meer mensen beginnen te roepen. Uit allerlei huizen klinkt het Portugese woord voor regen. Als de huizen een raam hebben, dan wordt het met veel gerammel dichtgeschoven. Een jongen klimt op het dak om een stuk plastic goed vast te leggen.

Gabriel kijkt me lachend aan. Dit bedoelde hij toen hij zei: dan ga je wat beleven. De eerste druppels vallen.

“De favela’s zijn ontstaan toen prinses Isabella de slavernij afschafte in de negentiende eeuw. De slaven waren vrij, maar hadden geen geld en geen plaats om te wonen. Ze bouwden hun hutten tegen de bergen aan. Ze waren geen mensen in de ogen van de bevolking van Rio en dat gevoel is altijd gebleven. Het liefst had de gemeente die hutten weggehaald, maar dat kan niet in Brazilië. Als je een dak heb gefabriceerd, heb je een huis en een huis moet blijven staan, zegt de wet.”

De bui barst los. Taigo en Laure komen het terras op. Ze zijn net op tijd binnen na hun hele dag op het strand. Ze komen uit de buurt van Parijs en zijn hier drie weken.

Tiago komt oorspronkelijk uit Portugal en spreekt Portugees met Gaga en Rafa. Laure spreekt ook Portugees, maar vindt het moeilijk. Ze spreekt dan wel weer vloeiend Spaans omdat haar moeder Spaans is. Ze gaat koken. Als Laure kookt, trekt ze er twee uur voor uit. Ik kan ervan genieten om aan tafel te kijken naar alle geduldige handelingen. Ze maakt ‘gewoon’ een tortilla vandaag, maar de ui en de aardappel worden geconcentreerd in even grote stukjes gesneden. De keuken bezet een muur van het terras, we koken en eten en leven buiten met een afdakje voor de zon. Maar nu dus even voor de regen.

“Chuva!” horen we nog een vrouw roepen.

“Goh, is het werkelijk?” mompelt Gaga hoofdschuddend. Hij neemt de versgedraaide joint van Tiago aan. “Sem tabaco?”

Tiago schudt zijn hoofd. Nee met tabak. Gaga twijfelt even, maar neemt toch een hijs. Het gaat goed. Tiago vertelt vol overgave over hun tocht door de favela vlak voordat de regen losbarstte. Ik verta er letterlijk geen woord van, maar het is een expressieve jongen en hij loopt en gebaart terwijl hij praat. Ik begrijp het hele verhaal, maar ik heb dan ook zelf mee zitten kijken vanaf dit terras.

Als hij de joint op heeft gerookt, wrijft hij over zijn maag. Hij kijkt naar de keuken, maar weet donders goed dat die tortilla nog wel even op zich laat wachten.

Middenin de nacht schrik ik wakker. Ik hoor vuurwerk. Knallen. Vier, vijf, zes keer achter elkaar. Dan hoor ik iets wat onmogelijk op vuurwerk kan duiden. Een machinegeweer. Het kan niet dichtbij zijn, het kán niet dichtbij zijn, ik hoor geen geschreeuw, niks. Maar in het donker, met het enorme raam wagenwijd open en overal huizen om op te klimmen in deze bizarre stad, ben ik er toch niet helemaal gerust op. Ik hoor aan het ademen van mijn zes kamergenoten dat zij ook wakker zijn. Niemand zeg iets. Niemand beweegt.

Politiesirenes zwellen aan. Veranderen steeds van toon. En lijken heen en weer te rijden. Het schieten gaat weer verder. Een minuut of twee schat ik, vanuit mijn bed, met mijn gezicht tegen de muur. Het geluid van de schoten wordt twee keer zo erg door de echo tegen de bergen.

Het schieten stopt, de sirenes worden minder. Dan begint het weer te regenen. Stil dit keer, zonder aankondiging. Ik probeer te slapen, maar mijn hoofd zit vol met alle indrukken van deze week. De lieve, zorgzame mensen, de energie die in deze wijk vrijkomt en de rust die er eigenlijk heerst.

Als ik bijna slaap, schrik ik wakker van een klap en een lichtflits. De ventilator draait langzaam zijn laatste rondje en als ik mijn telefoon check, zie ik dat hij niet meer oplaadt. Afgetapte elektriciteit in een netwerk van draden door de hele favela. Dat ruikt zo’n bliksemschicht natuurlijk.

De twee Slovenen die naast me slapen, staan om zes uur op. Ze reizen vandaag verder. Thomas moet om acht uur naar zijn Portugese les. Slapen lukt niet meer vandaag.

Als ik op het terras kom boven, heeft Rafa net het water weggeveegd. De zon komt langzaam door de wolken heen. Gabriel drinkt zijn eerste koffie.

Achter mij komt Tiago de trap op. “Heb je de shooting gehoord vannacht?” vraagt Rafa.

“De wat?” Tiago schenkt zichzelf een koffie in. Rafa maakt een schietgeluid als hij zijn wijsvinger op Tiago richt. ‘Parampapam.’ Hij blijft verbaasd kijken.

Ik lach. Hij gaat me niet vertellen dat ie niks gehoord heeft.

Felipe kijkt me ongelovig aan. “Heb jij dat ook gehoord?”

Ik verbaas me eerder dat hij erdoorheen heeft geslapen.

“En het onweer dan,” vraag ik.

“Onweer?”

Gaga schudt zijn hoofd. “Ze kunnen hier de favela ’s nachts afbranden en jij staat verbaasd te kijken ’s ochtends.”

Hij staat op en zet zijn koffie weg. “Turistas loucos.”

Een gedachte over “gabriel”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s