stand up

‘Je moet aan stand up comedy doen,’ lacht de heer des huizes.
‘In het Spaans?’ vraag ik lachend.
‘Waarom niet, ik kan het toch ook volgen?’
We houden een asado op het dak.
Ik heb zojuist verteld van het moment dat ik terugging naar Buenos Aires, intussen een week geleden.
‘Word je daar dan zo blij van?’
‘Heel blij.’
‘Wat is dat dan?’ vroegen de Argentijnen om me heen.
Ik leg hen uit dat ik met het vliegtuig van Barcelona naar Buenos Aires ging. Dat vliegtuig ging om half twee ’s nachts. Dan zijn er niet veel intercontinentale vluchten meer. Eentje naar Dubai, eentje naar Moskou en eentje naar Buenos Aires. Allemaal vanaf hal D.
Voor het vliegtuig naar Dubai zaten 200 Chinezen te wachten. Niet mijn kopje thee. Redelijk luidruchtig allemaal, vooral als ze stress hebben of ruzie maken. En reizende Chinezen hebben doorgaans allebei.
Voor het vliegtuig naar Moskou stonden vanzelfsprekend Russen in de rij. Ook aan de lawaaiige kant. Vooral als ze dronken zijn. En dat zijn ze om half twee ’s nachts allemaal.
Ik was er niet op voorbereid, maar honderd meter van mij vandaan begon een oudere vrouw te praten tegen vermoedelijk haar dochter aan de telefoon. ‘No sabés?? En serio? Pero hijo de mil putas. La puta que me parió.’ Ze overstemde de Chinezen en Russen met gemak. Ik keek op. Een lach kreeg ik niet meer van m’n gezicht. Samen met de reizigers om me heen. We keken elkaar lachend aan. We gaan weer terug. Dat is het moment dat je je weer blij voelt. Argentijnen dan. En ik ook intussen.

Ze herkennen het, mijn toehoorders op het dak. Dat is het.
‘Ik ging naar Thailand,’ vertelt de asador dan. ‘Leuk land hoor. Lekker goedkoop. Maar geen mate.’
Zijn zoon kijkt mij aan en weer terug naar zijn vader. ‘Neem jij geen yerba mee?’ vraagt hij verbaasd.
‘Ik heb een rugzak bij me van zes kilo. Als ik een kilo yerba meeneem, is dat wel een groot deel van mijn bagage. Zo erg mis ik het ook weer niet.’
Zoon en ik kijken elkaar weer aan.
‘Het is het eerste wat je zegt over Thailand. Dat er geen mate is,’ lach ik. ‘Zo erg mis je het ook weer niet.’

Advertenties

brief aan de huisbaas (v)

Geachte huisbazin,

Door middel van deze brief wil ik u danken voor het vele werk dat u voor mij heeft gedaan. Ik woon hier nog maar kort, sinds 1 november, en ik heb al van alle voordelen die dit appartement biedt, mogen genieten. De muren bieden een breed scala aan diverse diepbruine vochtplekken, die vermeerderen waar je bij staat. Echt aan mij besteed, ik houd niet van steriel wit. Werkelijk fenomenaal zijn echter de kleine watervallen die, zodra mijn bovenbuurman gaat douchen, ontstaan langs de zijkanten. Het water komt zelfs tot op de grond. Ongelooflijk hoe dit geregeld is. Om het feest compleet te maken, heeft de loodgieter ook in de badkamer een gat in het plafond geslagen om te kijken of er daar ook watervallen uit gaan komen en hij kon blij verrast bevestigend antwoorden. Daar kon ik op rekenen en inmiddels zijn ze inderdaad gearriveerd. Gelukkig heeft hij het gat in het plafond niet meer dichtgemaakt sindsdien. Nu is mijn bad al nat voordat ik de douche zelfs maar aanzet! Daarvoor betaal je in een hotel de hoofdprijs.
Elke avond zijn er optredens van diverse kakkerlakken in verschillende grootten. Het is onvoorstelbaar knap dat zij vanuit alle hoeken van de zaal opkomen en in andere hoeken weer afgaan en de formaties die zij maken zijn bewonderenswaardig. Mijn vriend mag altijd participeren in de show met uiteenlopende props, zoals bezems, schoenen of vliegenmeppers en ze vinden het geen probleem als er daarbij enkele van hen tenondergaan. Ze lopen allemaal redelijk snel, dus het is echt een avondvullend programma. Kosten noch moeite worden gespaard door het ensemble om mijn vriend zijn avondbeweging te gunnen, sommige gaan zelfs in de kast achter de havermout zitten of ik vind de volgende dag nog een slapende in de la met het bestek! Een prettige bijkomstigheid, want ik vind dat je bestek niet vaak genoeg kunt afwassen. Het liefst doe ik het elke ochtend voordat ik ga werken, als ik lekker weinig tijd heb, dat voert de spanning een beetje op.
De lift doet het gelukkig vaak niet. Zo is het niet alleen voor mij niet nodig een duur abonnement bij een sportschool af te sluiten, maar hoef ik ook niet bang te zijn dat hij naar beneden stort. Hij blijft altijd op verdieping 3 hangen. Het is fijn om zulke zekerheden te hebben in het leven. Ik ben niet zo’n dare devil. Ook kunnen we langer van de blaffende hond van de buren genieten als zij langer op de lift moeten wachten, of zelfs moeten lopen vanaf de zesde verdieping. Ik ben gek op honden.
De intercom functioneert niet, gelukkig, want ik houd niet van bezoek. Als mensen aanbellen, zijn ze gelukkig altijd alweer weg, als ik beneden kom. Laatst belde de postbode aan met mijn credit card, die heb ik nu dus niet gekregen, want ik was te laat beneden en kon hem niet vertellen dat ik eraan kwam. Heerlijk. Met een credit card zou ik alleen maar geld uit gaan geven en mezelf in de schulden werken en dat is toch echt het laatste wat ik zou willen.
Als laatste ben ik blij dat het rolluik niet naar beneden kan. Ik vind het onnodig donker als zo’n rolluik naar beneden is. Ik geniet van de zon, als die me ’s ochtends wakker maakt, rond een uur of zes, ver voordat de wekker gaat, hoewel ik dan wel een beetje veel tijd heb voor het afwassen van het bestek. Ik geniet ’s avonds ook van de zon als die de hele dag mijn appartement in heeft geschenen. De ontstane hitte is voor mij elke dag een welkome ontspanning. Mijn familie en vrienden in Nederland zullen jaloers zijn op mijn eigen sauna, terwijl zij daar met dikke pakken sneeuw te kampen hebben.
Soms als ik met mensen praat, durven ze nog wel eens te beweren dat zij ook veel bijzondere extra’s hebben, dat dat gebruikelijk is hier in Buenos Aires. Maar ik win het opbieden altijd glansrijk, ze vallen dan stil en ik moet altijd lachen om hun verbouwereerde gezichten als ik nog even doorga met opsommen van de faciliteiten waarin dit appartementencomplex voorziet.
Zo hebben we een keer per week een vijver in de hal beneden. Het water komt niet uit de kraan, dat zou verspilling zijn, het water komt van beneden, uit het riool. Zodoende drijven er velletjes papier en andere obstakels in, zodat er een echt vijver-effect ontstaat. De aanleg van de vijver en het disfunctioneren van de lift vallen altijd samen, zodat er meer tijd is om van de vrijkomende geur te genieten als ik de trap op loop.
Toen u mij belde om te informeren over de huidige situatie van het appartement, vertrouwde u me toe dat ik geduld moest hebben. Ik vind het indrukwekkend hoe snel u merkt dat ik een erg ongeduldig persoon ben en ik mezelf daarmee behoorlijk in de weg zit. Eigenlijk had ik niet verwacht dat psychologische ondersteuning bij de prijs inbegrepen zou zijn.
Ik heb begrepen dat u de huur met 17 procent wilt verhogen. U verontschuldigt zich nog, verwijzend naar de inflatie die (bijna) net zo hoog was in de afgelopen maanden. Maakt u zich geen zorgen, u hoeft zich niet in duizend bochten te wringen, de verhoging te verklaren. Ik ben dankbaar voor alle extra’s die dit appartement mij biedt. Ik snap eigenlijk niet waarom de huur de afgelopen maanden zo laag is geweest.

Met een hartelijke groet,

Janneke Lootens

tangoschoenen

IMG_6431

Ik wil tangoschoenen kopen. Want tango zit onder mijn huid. En ik zit er al jaren over te zeuren. Bij mezelf. Dus nu ga ik ze kopen.
Ik heb er een project van gemaakt. Kruisjes gezet op een kaartje van de stad. Daar zitten tangoschoenenwinkels. Als ik uit de metro stap, voel ik me in een aflevering van America’s Next Top Model, op zoek naar een modellenbureau dat me wil contracteren. Gelukkig geen hoge hakken aangedaan, want er moet worden gelopen.
De eerste winkel op mijn lijst is op Riobamba 448. Helaas. Nummer 448 blijkt een olijfoliewinkel te zijn geworden, om precies te zijn sinds vorige week en er staan twee mannen buiten te flyeren.
“Zoekt u olijfolie?”
“Nee tangoschoenen.”
“Er zat hier een tangoschoenenwinkel, maar die is weg,” legt een van de mannen uit. Zoveel is duidelijk.

Ik loop terug naar Sarmiento 1938. Er zou er in deze straat ook nog eentje op 1947 moeten zitten.
Op 1938 hangt een spandoek buiten. Neotango. Bingo.
Eerst druk ik op de bel, dan doen ze de deur voor me open. De enorme rij aan mini-schoentjes ontmoedigt me een klein beetje, omdat mijn voeten maat 42 aantikken. Ook de gespierde benen van het meisje dat al schoenen zit te passen in haar nonchalantie korte broek doen mijn zelfvertrouwen geen goed. Ik leg de verkoper het probleem voor van mijn vrij Europese maat. Helaas. Voor die uitzonderlijkheid heeft hij helaas geen oplossing. Een paar in maat 41 is alles wat hij kan bieden. Of ik die wil passen.
Hij komt met een paar wanstaltige gouden muiltjes, beglitterd, wat een feest, aanlopen en ik weet dat ik ze nooit ga kopen al zitten ze als gegoten. Maar ik wil ze voor de vorm wel even proberen.
Ik pers met veel moeite mijn tenen in de gouden bandjes, mijn hiel kan niet eens doen alsof het bijna past. Ik voel me een stiefzus van Assepoester en kijk hem wanhopig aan. Hij is ongevoelig voor wanhoop.
“Je voeten zijn ook wat gezwollen.”
Natuurlijk. “Dat zal niet anders zijn als ik in dit weer tango sta te dansen,” lach ik.
‘Het is leer, je moet het nog uitlopen.” Ik begrijp niet echt of we een gesprek voeren of dat hij gewoon zijn zinnetjes opzegt die hij gewend is te zeggen. Ik vraag hem of hij winkels kent die grotere maten verkopen. Kent-ie niet. Maar er zijn zeker wel winkels die op maat maken. Dat doen zij helaas niet.
Ik bedank voor weinig en ga op zoek naar 1947. Bestaat niet.
Een man op straat vraagt weer waar ik naar op zoek ben, want het is waarschijnlijk een behulpzaam type. De tangoschoenenwinkel. Kent ie niet. Maar er zitten er een hoop op Suipacha en Corrientes. Wel een eind lopen. Ik ga op weg.
Op mijn kaartje staan inderdaad wat kruisjes bij die straten. Daar aangekomen vind ik geeneen tangoschoenenwinkel.
Ik zijg neer in een koffiewinkeltje en begin op internet meer te zoeken. Op zaterdag is alles in het microcentro gesloten. Dat is logisch, er wonen geen mensen, iedereen werkt hier alleen. Het is gewoon een enorm bedrijventerrein.
Dus een winkel opengooien op zaterdag is verlies draaien.

SAMSUNG CAMERA PICTURESIk ga op donderdag terug. Vier winkels direct naast elkaar verkopen tangoschoenen. Echt iets voor mij. Ik vind het lastig om naar binnen te gaan, want ik denk dat je dan heel veel van tangoschoenen af moet weten en eruit moet zien als een Argentijnse danseres. Maar dat hoeft natuurlijk niet. Ze willen vooral dat je wat koopt. En ik merk dat dit de winkels zijn met niet de allerbeste kwaliteit aan schoenen. De bandjes passen vaak niet, de draadjes hangen er los aan, het zou zeg maar kwaliteit Axi schoen zijn in Nederland. Dat wat je koopt voor een tientje. Dat ben ik niet van plan. Het moeten mijn ultieme schoenen worden en ik heb ze graag zo simpel mogelijk.
In de eerste winkel heeft de mevrouw maar liefst vier paar zwarte schoenen in maat 42. Maar het woordje ‘simpel’ in mijn omschrijving heeft ze niet begrepen of algemeen opgevat. Ze heeft zwarte schoenen met bandjes die over elkaar heen gaan, schuin over de wreef, eentje heeft een Venetiaans maskertjes aan het bandje en met glitters is volop gestrooid. Aan mijn voet is het nog niet eens heel lelijk, maar het is zo niet mij dat ik echt zeker weet dat ik deze schoenen niet wil hebben.
De verkoopsters in de volgende winkels brengen me allerlei schoenen die mijn oma nog ouderwets zou hebben gevonden. Ze zijn onder de indruk van mijn lengte. ‘Je danspartner? Is die ook lang, anders moet je een lagere hak.’ Mijn vriend torent boven mij uit, maar hij danst geen tango. ‘Is het een Argentijn?’ Een klant verderop bemoeit zich mompelend met het gesprek. ‘Wat een uitzondering voor een Argentijn.’
Ik lach. ‘Ja.’ Ik weet niet welke van de twee feiten ze bedoelt, maar ik neem maar aan dat ze ze allebei uitzonderlijk vindt.
Dan ga ik weer verder, want deze schoenen zijn het sowieso niet.
Ik zoek op internet nog even naar ‘grote maten tango schoenen buenos aires’ en er komt een winkel uit, opnieuw op Riobamba. Nou vooruit dan maar. Ik zie dat de winkel zich bevindt op de tiende verdieping. Dat gebeurt wel vaker hier. Alle winkels gaan op slot, je belt altijd aan voordat je naar binnen kan. Dus kan je net zo goed een huis huren en daar een winkel in beginnen. Dit appartement bevindt zich op de tiende en ik bel dus aan in het portiek. ‘Ja?’ klinkt een vrouwenstem. Ik heb door al die moeite die het kost, wel altijd een gevoel alsof je een goede reden moet hebben om hier een winkel binnen te gaan. Dus ik begin een verhaal over grote maten tangoschoenen. ‘Ik kom naar beneden, wacht even.’
Ik wacht een minuut of vijf en dan gaat de deur open. ‘Kom binnen, hoe gaat het?’ Ik moet er nog steeds aan wennen, zeg ‘goed’ en vraag niks terug. Dat bedenk ik me pas als we al in de piepkleine lift met een traliewerk ervoor staan. Ik sta met mijn neus tegen haar achterhoofd. We zwijgen. Ik laat het maar om alsnog iets terug te vragen.
Als we boven zijn, nodigt ze me uit binnen te komen in het appartement dat volledig ingericht is met schoenendozen.
‘Ik heb een vraag: heb je ook schoenen voor vrouwen met grote voeten?’
‘Hoe groot?’
‘Maat 42.’
‘Nee, die hebben we niet.’
Ik vraag waar ze denkt dat ik ze wel kan krijgen, maar daar heeft ze geen antwoord op. Of ik nog iets anders nodig heb.
Nee. Ik had niet echt een lijstje gemaakt.
We staan even awkward tegenover elkaar.
‘Dan ga ik maar weer.’
Ze knikt en gaat me weer voor naar de lift.
Zwijgend staan we weer achter elkaar. Zonder tangoschoenen.
De moed zinkt me intussen in mijn sandaaltjes.

Als ik thuiskom begint ik te googlen. Ik vind een fabriek die tangoschoenen maakt.
Ik zie mooie schoenen voor dames en ze gaan tot maat 43. Voor de zekerheid mail ik de vraag of ze de schoenen die ik wil hebben in 42 hebben en of ik ze kan komen passen.
Drie dagen later heb ik een mail terug. Dat ze ze voor me willen maken en dan mag ik ze komen passen.
Het lastige is dat ze ver weg zitten en dat als ik het aan mijn vriend vertel, hij niet zo blij is met het idee dat ik in mijn eentje met de bus naar die buurt ga. Hoewel ik op dat moment hem nog spottend aankijk, is het resultaat van dit liedje dat ik mezelf een angst aan praat om daarheen te gaan. Ik geef het voorlopig even op.

Enkele maanden later kom ik in huis terecht bij een Nederlands meisje, we hebben hetzelfde gestudeerd en we zijn ongeveer even oud. We hebben allebei de beslissing genomen om naar Buenos Aires te vertrekken. En we hebben allebei een paar keer per week een uurtje nodig om te klagen. Om de een of andere reden, waarschijnlijk de frustratie, schreeuwen we allebei als we klagen. En we hebben een hol huis, dus je hoort het beter. Het holle huis is namelijk voornamelijk een danszaal. Met spiegel en al. Ze geeft tangoles. We hebben allebei iets met tango, met als verschil dat zij hem elke dag danst en ik hem vooral heel mooi vind. Ze wil me aan het dansen hebben, en eerlijk gezegd wil ik dat ook wel. ‘Maar ik heb geen schoenen,’ sputter ik tegen. ‘Dan koop je die,’ schreeuwt ze.
‘Ik heb maat 42!’
Nu heb ik d’r. Ze valt even stil. Zelfs zij vindt dit een onoverkomelijk probleem, merk ik. Maar nee, ze glimlacht. Ze komt terug. Ik zet me schrap. Ben benieuwd wat ze ertegenin te brengen heeft.
‘Je moet ze laten maken. Op maat. Ik ken iemand die dat perfect voor je doet. Wel prijzig, rond de 60-70 euro, maar je hebt wel goede, nette schoenen, in de maat die je wilt.’
Mijn mond valt open. 70 euro? Prijzig?
‘Wie?’ vraag ik fel.
‘Juan. Ik geef je z’n nummer.’

Juan heeft een klein atelier in de binnenstad. In Sarmiento, de straat waar alle tangoschoenenwinkels van Buenos Aires zouden staan, volgens de website. Ik kom ook langs verschillende plekken waar ze me ‘nee’ verkochten. ‘Helaas, maat 42 is ondoenlijk.’
Juan is er niet als ik langskom, maar de jongen achter de balie gebaart me te gaan zitten. Hij trekt niet eens zijn wenkbrauwen op als ik mijn maat noem. Wat voor soort schoenen ik zoek, knikt hij. Ik wil simpel. Zwart. Niet te hoge hak. Hij gaat Juan appen. Ik snuif mezelf langzaam high aan schoenenlijmgeur.
Juan begroet me met een kus op mijn wang en zijn wenkbrauwen gaan wel omhoog, maar dat is omdat ik Guillermina noem, mijn huisgenoot. ‘Hoe is het met haar? Ze moet nog nieuwe schoenen komen passen, ik heb ze klaarstaan voor haar.’
Juan vraagt mijn maat, kijkt even naar mijn zweterige voeten die ik uit mijn verfrommelde all stars gewurmd heb en knikt zwijgend.
Dan loopt hij naar het magazijn. Hij komt terug met een paar neutrale schoenen maat 41,5. Ze zitten als gegoten.
‘Welke kleur?’
‘Helemaal zwart.’
‘Met een bandje over je wreef naar boven?’
‘Nee.’ Lelijk, denk ik.
‘Hak maar 7,5 cm doen?’
Ik knik langzaam. ‘Is dat hoog?’
‘Nee,’ lacht hij. ‘Maar als we hem te hoog maken, word je te lang om hier te dansen.’
Ik glimlach een beetje.
‘Mag ik de hiel een printje geven?’
‘Nee. Zwart.’
‘Maar dat is saai.’
Ik snap die Argentijnen soms niet he. Alles moet maar aandacht trekken en anders en print.
Hij laat me een schoen zien met een slangenleren printje. ‘Vind je dat mooi?’ Het is inderdaad wel mooi ja.
‘Dan is de schoen nog een beetje speciaal.’
Hij wil natuurlijk zijn stempel erop drukken, dat snap ik ook wel.
‘Vooruit dan maar,’ knik ik. En ik voel me een dare devil.
‘Ik doe het zo, ik maak ze in deze maat en dan kom je ze passen en pas ik ze weer aan als ze af zijn.’
Ik glunder. ‘Dankjewel.’
‘Het wordt wel prijzig. 2200 pesos. Omgerekend: 114 euro. Voor schoenen op maat vind ik dat niet prijzig. Hoewel hij duidelijk wel is opgeslagen in de laatste maanden.
‘Wil je wat vooruit betalen?’
‘Hoeveel is gebruikelijk, de helft?’
Ik heb toevallig net mijn salaris gehaald en dat kan er makkelijk af.
Hij vraagt me of het niet teveel is, want hij wil niet dat ik hierom niet kan eten. Ik vraag me af wat hij heeft meegemaakt in deze winkel en leg elf briefjes van 100 pesos op de toonbank.
‘Ik zie je maandag!’ roept hij. En voor het eerst ben ik uit mezelf gedag gaan zeggen met een zoen.
Zo blij ben ik.

IMG_6468

Mocht je in Buenos Aires ook zulke mooie schoenen willen laten maken:

Arza Zapatos
Sarmiento 1833
011 15-6641-2721
Facebook: Arza.Zapatos

Instagram: @arza.zapatos
open vanaf 13:00

Rio de Janeiro. Stad van extremen.

Ik ben in Rio. Stad van de extremen. Niet dat ik dat gehoord heb, voordat ik hier kwam, ik merk het nu ik hier ben.
De taxichauffeur aan wie ik het adres van mijn hostel vertel, kijkt me eerst verbaasd aan, dan schudt hij zijn hoofd en vertelt me dat hij daar niet heen rijdt. Ik lees in de app van Gabriel, de host, dat taxichauffeurs dat wel eens zeggen en noem de plek die Gabriel me vervolgens als tip geeft. De chauffeur haalt zijn schouders op en begint te rijden. Hij blijft zijn hoofd schudden.

IMG_9447Hij zet me af op een pleintje in de wijk Leme. Een donkere jongen haalt me op. Hij spreekt alleen maar Portugees, slaapt als bewaker in het hostel en rookt zijn wiet zonder tabak. Dat vertelt hij allemaal niet bij de eerste kennismaking, hij zegt geen woord. Wel noemt hij zijn naam, Rafael, waardoor ik een gevoel krijg alsof ik daadwerkelijk dichter bij God terechtkom. We klimmen een eindeloze hoeveelheid trapjes op, langs stenen blokjes met een golfplaten dak en langs de goten waarin de uitwerpselen langs komen en bloemen groeien, en komen in het hostel, dat niet misstaat in de omgeving. Vanuit de keuken, die volledig open is en waar de salamanders tegen de muur oplopen, kan je de hele Copacabana zien liggen. Het is een uitzicht waar je drie kopjes thee lang van kan genieten.
Mijn bed staat met acht andere bedden in een enorme kamer met een open raam. Dat wil zeggen opening, het raam bevat geen glazen ruit.

IMG_9512De eigenlijke bedenker van het hostel is Gabriel. Hij weet dat mensen in favela’s gewoon mensen zijn, die gezien willen worden, erkend willen worden als mens. Daarom heeft hij een sporthal gemaakt en leidt hij kinderen in de wijk op in een bateria, een drumband voor de carnavalsoptocht. Mensen uit favela’s mogen daar niet in meelopen. Maar de jongens van deze bateria wel. En daarom maakte hij een hostel. Toeristen kunnen met eigen ogen deze mensen aankijken en erkennen dat ook zij gewoon doelen, dromen en idealen hebben, ook al drijven hun drollen langs de bloemen en hun huis, ook al lopen ze op een schoen omdat die ander kapot is, ook al tappen ze hun elektriciteit af bij de hotels aan de Copacabana.

IMG_9240Lau en Thi zijn op doorreis. Ze hebben een paar maanden in de binnenlanden van Brazilie gewerkt en nu doen ze nog vijf weken Rio. Ze zijn hier al een tijdje thuis in het hostel en proberen het me vanaf mijn aankomst naar de zin te maken. Lau is toch soep aan het koken, wil ik ook wat. Thi schudt zijn hoofd als ze zegt dat het nog even duurt. Hij heeft honger, en dat snap ik, want hij rookt intussen zijn tweede joint. Overigens met tabak, dus Rafael hoeft niet meer. Die moet ervan hoesten. Lau komt uit Parijs, maar is half Spaans. Thi is Portugees en schaamt zich voor zijn Engels, dat prima te verstaan is. Hij laat me op een kaart op tafel zien hoe ik morgen bij de Suikerbroodberg moet komen, tegen de avond, want de zonsondergang is zo mooi daar.

IMG_9237De Suikerbroodberg is een enorme puist aan de oostkust van Rio de Janeiro. Met de kabelbaan ga je over het water naar de top van de berg. Het uitzicht is inderdaad betoverend. Je kunt Rio in al zijn extremen beneden zien liggen. De stranden, de bergen eromheen, de haven in het midden, met alle plezierjachten netjes verdeeld over het water, het vliegveld, waarvandaan elke minuut een vliegtuig opstijgt, de favela’s waar mensen wachten om gezien te worden als mens, de stad die stinkend onder de late zonnestralen ligt te zoemen van de opkomende drukte. De mensen gaan naar huis vanaf hun werk, de mensen gaan het terras op en gaan dansen. De zon gaat achter de bergen aan de overkant onder en Jezus steekt op een van die bergen zwart af als een kruis in de verte.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAIMG_9261IMG_9264De volgende dag loop ik langs de boulevard van de Copacabana. Het zand is wit, de zee azuurblauw, de golven immens hoog en de palmbomen ontnemen het zicht richting zee. De zon brandt intussen behoorlijk door. Er wordt over de tegels in het bekende motief geskate en geskeelerd. Meiden zijn sterk, bruin en groot. Jongens gespierd, groot en bruin. Nou ja, allebei dus. Gele bikini’s, grote spieren, roze zwembroeken.

De jongens die ik in het hostel heb leren kennen en die meelopen, weten toevallig dat hier elk jaar met oud en nieuw iedereen in het wit naartoe gaat om twaalf uur. En dat is magisch. En over drie weken, dus dat heb ik weer een beetje slecht gepland.
We gaan om de beurt in zee, want onze fototoestellen zijn veel waard en dat vertrouwen we niet met deze criminele stad. De golven zijn groter dan ikzelf en buiten adem kom ik er weer uit. Ik koop een sjaal bij een strandverkoper die, hoe is het mogelijk, de hele dag door het hete zand heen banjert. Ik droog me af en ga op de sjaal zitten. Als de zon niet zo brandde, kon ik hier uren zitten kijken.

Het strandje verderop zou me een prachtige zonsondergang geven. Ik moet een behoorlijk eind lopen en ik moet ook nog terug als het dus alweer donker is. Maar ik moet het doen, vindt Lau. Ik neem de hele middag de tijd om naar het strandje te lopen en blijf daar een tijdje zitten tot de zon begint te dalen. De golven zijn wat minder hoog dan gisteren, maar nog altijd aantrekkelijk voor de surfers, ook omdat het licht zo fijn is. Ik maak de meest bijzondere foto’s, geniet urenlang van het licht en loop op vleugels terug. In het donker. Door de straten van Rio. En door de favela omhoog.

Even raak ik de weg kwijt. Maar een man stuurt me vanaf zijn woning in het Portugees de goede kant op. ‘Jij hoort toch bij dat hostel van Gabriel?’ Ik kijk hem aan en lach. ‘Ik zag het aan je rode huid,’ knipoogt hij.

Ik ga vroeg naar het Jezusbeeld, want Elena heeft gisteren drie uur in de brandende zon in de rij staan wachten. Als je gelijk gaat als het opengaat, dan heb je niet zo’n lange rij. Het is waar wat ze zeggen en ik ben zo blij met die tip. In het Zwitserse karretje ga ik met een zooi aan Aziaten omhoog. Ik weet dan weer niet dat je ook in het hoofd van Jezus kan en fotografeer alleen vanaf zijn voeten. Echter, het uitzicht van de Suikerbroodberg haalt het hier niet bij. Iedereen staat te selfiesticken en ik ben er eigenlijk na een half uurtje weer klaar mee. Ik vertrek weer naar beneden en heb de hele dag nog voor me.

Er is verder geen waarschuwing, voor de enorme regenbui die ineens losbarst. Alleen de mensen die ineens hun golfplaten dakjes met stenen bebouwen en de blaffende honden. Maar die honden die blaffen altijd. Dus dat zegt verder niks.
Boven de Copacabana is ineens, zonder waarschuwing dus, een enorm wolkenpakket waarneembaar. Zwart.
Nog geen drie minuten later hoost het. Het hoost op het strand en op de zwembaden bovenop de hotels en het hoost op de daakjes van de favela.

De schietpartij gebeurt in mijn laatste nacht daar. Met acht op een kamer. En als de ratelslangen klinken, parapapapa, hoor ik plotseling de gelijkmatige ademhaling, die ik de hele nacht al hoor, stilvallen. Stil is het in de slaapkamer, er beweegt niets. Iedereen ademt stil verder. Iedereen is wakker. Ik bedenk me ineens, als ik tegen de muur aan lig te kijken, dat er geen ruiten zitten in de ramen. Ik ben niet dom, het gaat me niet om de kogels, die zouden door glas ook wel heen gaan, maar ik ben bang dat de voortvluchtige drugskoerier die de bende op de hielen zit nu door ons raam naar binnen zou kunnen komen.
De sirenes komen van ver, er klinken meer schoten. Ze gaan ook weer ver. Ik overtuig mezelf ervan dat ze niet in deze favela zitten. Waar ze ook zitten. Het gevaar is geweken.
Als ik de volgende dag bovenkom, de zon schijnt vanaf de suikerbroodberg alweer over de Copacabana, spreekt om de beurt iedereen over de schietpartij. Een jongen spreekt alleen maar Frans. En is daarin zijn verbazing aan het uitspreken. Uit ons enthousiasme klinkt ook de angst door.
Rafael lacht schaapachtig zijn tandvlees bloot en haalt zijn schouders op. Zo gaat het hier nu eenmaal. Thi komt krabbend aan zijn boxershort naar boven. Hij schenkt het laatste beetje koffie in dat Elena had gezet. Een gedoe is koud water, met die waterfilter en het waterhalen van Rafael. Drinken van het water uit de leidingen is geen goed idee. Het kan goed water zijn, heeft Gabriel uitgelegd, maar het kan ook helemaal fout zijn. Je weet hier nooit waar het vandaan gekomen is. Maar koffiewater wordt gekookt en dus maakt het niet uit. Koffie is niet zoveel werk als het water voor koud water en limonade.
Zoals Elena koffiezet, met zoveel toewijding en overgave aan de taak. Ze heeft een shirt van mij aan. Ik dacht dat ik met een rode huid zat, na die opmerking van de wijkbewoner eergisteren. De zon is ongekend heftig hier. Maar zij, heeft de blaren op d’r schouders staan en heeft geen schouderbedekkende kleding bij zich. Ze wilde zo de straat op gaan, maar Lau heeft het haar verboden. Ze draagt al maanden over de hele wereld drie koffers vol kleding met zich mee, maar ze heeft niks met mouwtjes. Nu heeft ze mijn shirt aan. Ik zie haar in die onbeholpenheid, ze kan koffie zetten, ze kan vloeken als een bootwerker, maar ze kan in sommige dingen niet in haar zelfverzorging voorzien.
Thi neemt nog altijd krabbend een kop koffie en vraagt lachend waar we het over hebben. Hij staat aan de rand van het keukenterras over de favela uit te kijken.
‘Een shooting? Welke shooting?’ Hij heeft niets gehoord.

IMG_9457

kakkerlakken

Het is zaterdagavond en georganiseerd als ik ben wil ik mijn tas inpakken voor morgen. Ik geef deze week ook op zondag les. Je moet wat als je zonder peso’s zit. Ik pak mijn tas op en zie hem. Een kever zo groot als mijn wijsvinger. Kakkerlak, gilt het alarm in mijn hoofd. De tas valt terug op zijn plek en ik sprint de kamer uit. In de woonkamer blijf ik staan, mijn ogen op de vloer in mijn hokje dat als slaapkamer dient, gericht. De enorme spiegel in de woonkamer laat mijn gezicht in paniek zien. Ik blaas alle lucht uit die zich heeft opgestapeld in mijn lichaam. Dan haal ik weer diep adem. En ik blaas weer alles uit. Ik heb het me nooit afgevraagd, of ik een vechter of een vluchter ben. Ik weet het allang. Rennen, denkt mijn lichaam in paniek. Soms luister ik er niet naar, maar dan ben ik nog altijd geen vechter. Dan ben ik een konijn, dat in blinde paniek dan maar gewoon blijft zitten terwijl hij in de koplampen van de naderende auto staart. Dat ik nu niet nog steeds boven mijn tas gebogen sta, heeft alles te maken met het claustrofobische karakter van mijn kamer. Vanaf hier kan ik rustig nadenken. Eerst maar eens de spuitbus vinden. WMijn huisgenootje heeft gezegd dat ze dan direct dood zijn. Goed spuiten, zei ze. Dat werkt meteen.

Ik app mijn vriend, hij krijgt me kalm in dit soort situaties. Maar ik weet dat hij zich ook meteen verantwoordelijk gaat voelen voor de oplossing. En het blijkt dat hij intussen ook al een paar biertjes op heeft. ‘Ooeehh, zal ik langskomen?’ vraagt hij. ‘Dat vind ik ook weer wat veel van het goeie, ik kan dit best alleen, neeee, ik kan dit niet zelf, ik wil dit niet, ik wil dat jij me helpt, doe normaal, doe niet zo afhankelijk neee ik ben de afhankelijkste persoon op aarde,’ speelt zich in enkele seconden af in mijn hoofd. (Zo gaat dat nou eenmaal, nee ik weet niet of pillen zouden helpen, hoezo?) ‘Ja graag,’ app ik uiteindelijk. ‘Dan kan je tegen me praten als ik de kakkerlak doodspray.’
Ik probeer me intussen voor te stellen hoe de kakkerlak reageert als ik de tas weer weghaal en zonder pardon de dodelijke spray op zijn hoofd spuit. Hij gaat rennen, vermoed ik. Strikt genomen is dat eigenlijk ook het enige wat een kakkerlak doet. Meer dan rennen en dan heel hard, is het niet. Toch is het beest het smerigste insect dat ik me kan voorstellen. Heel vreemd. Nu niet filosoferen. Welke kant rent hij op? De kant waar ik op spray. Doe ik dat dan dus mijn kamer in of jaag ik hem juist de kamer uit?
Mijn vriend is niet blij met mijn bericht. Ik krijg drie vraagtekens terug op mijn voorstel. Dat is het antwoord als hij me niet begrijpt. Hij zag zichzelf voor zich als een Pokemonstrijder die een kakkerlak te lijf gaat en nu moet hij ineens de psychologische achterban gaan spelen? Die vlieger gaat niet op, hij snapt me niet en dat is mijn schuld.
Dat maakt me boos. Ik haal nog een keer adem en met de spuitbus in mijn ene hand trek ik met de andere de tas weg. Hij zit er niet. Kut. O wacht, half in mijn schoen. De horror. Spuit. Daar gaat ie. Hij springt op. Hoo wacht dat was niet wat we hadden voorzien. Spuit, spuit, spuit. Hij springt heel hoog. Dat is geen springen. Dat is vliegen. Dooood, denk ik, terwijl ik de spuitbus op het hippende gevaar richt. Creperend stort hij uit de lucht. Daar krimpt hij direct ineen tot een klein propje. Poten wiebelen nog wat na, maar rennen kan ie niet meer. Laat staan vliegen. Huisgenoot had gelijk. Bijzonder dodelijk.
Ik voel me zo sterk.
Iemand klopt op de buitendeur. Mijn psychologische Pokemontrainer is er. Strikt genomen heeft hij me erdoorheen geholpen, zij het dan anders als we ons beiden hadden voorgesteld.
Hij heeft een even aangeschoten vriend bij zich.
Ik laat ze gelijk het corpus delicti zien. Ze staan er goedkeurend naar te kijken met hun handen in de zakken.
‘Was het een vliegende?’ vraag de aanwaaiende vriend geïnteresseerd. ‘Dan heb je geluk.’ Tuurlijk. ‘Die komen van buiten,’ legt hij uit als hij mijn wantrouwende gezicht ziet. ‘Dan heb je ze dus niet in de leidingen zitten.’
Ik knik. We kijken nog een paar seconden naar het insect dat de avond bepaalde.
Dan kijkt mijn vriend op. Hij merkt dat we al een tijdje niks drinken. ‘Heb je wijn?’

maandag

Ik sta in de lift. Het is maandag, 13:00 en ik ga een les Engels geven op de twaalfde verdieping.
De portier van het gebouw stapt ook in de lift. Hij schudt zijn hoofd en bijt op zijn onderlip. ‘Ah Dios.’
Een andere man stapt in op de vierde verdieping.
Hij kent de portier. Of niet, dat maakt niet veel uit, maar ze omarmen en elkaar en geven elkaar een zoen op de wang. Omdat ze mij verder niet aanraken, neem ik toch maar aan dat ze elkaar kennen.
‘Hoe gaat het?’
‘Goed hoor, met jou?’
‘Ja goed, goed.’ Het blijft even stil. ‘Het is maandag, he.’
De portier knikt. Hij bijt weer even op zijn onderlip. ‘Moeilijk he. Moeilijk, die maandag.’
‘Het weekend? Goed?’
‘Ja, ja, ja goed. Alles goed. Barbecue, fernet, voetbal.’
‘Ja, goed dus. Gewoon een goed weekend.’
‘Ja, maar maandag he.’
‘Ja, moeilijk.’
De lift schokt tot stilstand op de twaalfde.
Ik kijk beide mannen even aan bij wijze van groet (ik zweer je, ik word alleen maar afstandelijker door al die groeten en zoenen en omarmingen) en loop de lift uit.
Ik bel aan bij het kantoor waar ik mijn les moet geven.
Deur open, weer zoenen, knuffels. De assistente.
Dan pas de vergaderzaal in.
Daar komt iedereen na een kwartier binnendruppelen. Zoenen, knuffels.
‘How are you?’
‘Goed, goed.’
‘Wat zou iemand in het Engels zeggen?’
Ze kijken me even wantrouwend aan. Moeten ze gelijk in het Engels?
Ik kijk uitdagend terug.
‘What would you say if we were in London right now and I asked you ‘how are you’?
‘Teacher, please. It’s Monday.’

sokken

Toen ik afgelopen juli in Nederland was en bij een vriendin woonde en mijn tas om weer naar Argentinie te gaan inpakte, bleek ik een enorme voorraad sokken bijeengehamsterd te hebben. Ik kreeg sinds ik terug was uit Argentinie erg de behoefte om te hamsteren. In Buenos Aires betaal je bizarre bedragen voor kleding en schoenen. Daarom koop ik niks als ik daar ben. Maar dat betekent maandenlang met dezelfde kleren en schoenen lopen. En ik had geen sokken meegenomen omdat ik die in de zomer nooit draag. Ik was toch echt al twee keer in de winter naar Buenos Aires geweest. Ik wist dat het niet 30 graden was. En toch eigenwijs. Ik had maandenlang met maar twee paar sokken overleefd. Ik had dus sokken gekocht. Twee pakken. En ik had in mijn huis dat ik nog altijd heb, ook nog sokken gevonden. Waar ik ook kleren vandaan haalde, overal had ik ook nog sokken.
‘Dit is echt te gek,’ had mijn vriendin gezegd. Zoveel sokken dat is niet normaal.
Ik schaamde me ook een beetje. Minimalist, met duizend sokken.
Maar goed, ik liet de helft bij haar thuis en ze beloofde met rollende ogen de sokken goed te bewaren. Ik heb intussen hier goed overleefd met de sokken.
Toen ik afgelopen donderdag mijn was op ging halen bij de wasserette van Susana, riep ze me voor het eerst even naar binnen.
‘Juanita,’ sprak ze plechtig. ‘De wasmand is omgevallen. Ik ga je kleding laten zien en dan mag je zeggen of alles van jou is, of dat er sommige dingen niet bij zitten.’
Ik knikte. Ze liet me om de beurt al mijn gewassen, gedroogde en gefohnde kleren zien en alles was van mij. Ik probeerde me intussen koortsachtig te herinneren of de was ook compleet was en kon me zo gauw niet voor de geest halen wat miste.
Ze rekende me minder voor de was, want ze vond het allemaal erg vervelend en ik liep opgewekt huiswaarts.
Toen ik thuis de was uitpakte, schoot me ineens te binnen wat ik gemist had. Mijn sokken. AL mijn sokken. Er zat geen enkele sok in mijn schone was.
‘Zie je wel Elly,’ mompelde ik, na al die maanden alsnog mijn gelijk halend bij degene die me verboden had meer sokken mee te nemen naar het verre land.
Schoorvoetend, want zonder sokken, liep ik terug naar Susana, die me direct weer binnennoodde. ‘Wat miste je, kind?’
‘Mijn sokken.’
Ze trok een stoffen zak tevoorschijn. Vol sokken. ‘Ik ben altijd bang dat ze mijn wasmachines verruineren,’ verklaarde ze. ‘Dus ik haal ze er altijd uit. De jouwe ben ik vergeten terug te doen door de consternatie van de gevallen wasmand.’
Ik knikte bedeesd. Ik mocht alle zwarte sokken eruithalen. Zo liep ik de hele dag door de stad met in mijn tas mijn laptop en al mijn sokken.