kat

House of Cards is een ding hier. Iedereen kijkt het. Er is weinig vertrouwen in de politiek en dat wordt . Als hier een politicus zich afhankelijk maakt van andere landen of bedrijven, noemen ze hem ‘gato’, het Spaanse woord voor kat. De oorsprong hiervan ligt in de wereld van de drugs. ‘Macri gato’, staat er op muren gekalkt.
Een muur is door een paar fans helemaal beschilderd met een afbeelding van Frank en Claire Underwood, met eronder ‘Votá (stem) Underwood’ in dezelfde letters die ze gebruiken als ze normaal gesproken aanmoedigen om op presidentskandidaten te stemmen. Eroverheen heeft iemand met rode letters gekalkt: ‘Frank cat’. Misschien was hij bang dat Frank anders niet zou begrijpen wat er bedoeld werd…

Advertenties

verstandig

We zitten samen mojito’s weg te drinken. Elke keer als ik denk, dit is de laatste, kijken we elkaar aan: nog eentje doen?
We praten nou eenmaal veel. En we hebben de tijd. We hebben alleen niet al te veel geld.
‘Vijfhonderd peso’s heb ik,’ beken ik.
‘Ik ook,’ knikt ze.
De serveerster komt met een brede glimlach vragen of we er nog eentje willen.
‘Dat hangt ervanaf,’ zeg ik. ‘Hoeveel hebben we staan?’
Ze komt terug van de kassa en glimlacht opnieuw. ‘Als je er allebei nog een neemt, sta je op 980 peso’s.’ Verstandige volwassen vrouwen zouden nu moeten zeggen: dan stoppen we nu, anders kan ik morgen geen eten kopen.
‘Doe maar,’ lach ik naar de serveerster.

vegetarisch

Mijn leerlinge Nederlands vordert snel. We praten Nederlands intussen, maar soms moet ik even een zin voor haar uitschrijven, zodat ze ziet wat ik zeg. Of zodat ze ziet wat ze anders moet doen.
‘We aten vegetarisch,’ is een zin die maar niet blijft hangen.
‘Dat is alleen maar een bijvoeglijk naamwoord. Moet er niet iets achter?’ vraagt ze in het Spaans.
Ik leg haar uit dat dat in dit geval niet hoeft.
‘Maar er mist iets als ik dit zeg.’
Ze kijkt even peinzend over haar mate heen naar de zin.
Dan kijkt ze lachend op. ‘Vlees.’

dansen

Ik heb een skypegesprek met een groep 7/8 in Nederland. De leerlingen vuren om de beurt hun vragen op me af. Zo heb ik intussen verteld dat voetbal de belangrijkste sport is en dat Argentijnen vooral veel zoete dingen eten en vlees. Weinig groente. Voor een van de jongens klinkt dit als de hemel op aarde. ‘Ik hou van Argentinië,’ komt er uit de grond van zijn hart.
Een meisje vraagt me welke dansen er belangrijk zijn in Buenos Aires. Ik noem wat verschillende dansen op en benadruk dat alle jongens hier dansen, dat het macho is als je kan dansen. Het meisje gaat tevreden zitten. ‘Hou je nu nog steeds van Argentinië?’ mompelt ze richting de jongen.

naartoe

Ik heb voor een leerling een werkblad gevonden waarop in het Nederlands vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven door getekende mensjes. De vragen en antwoorden staan door elkaar en moeten bij elkaar worden gezocht. De mensjes stellen soms voor een Argentijn rare vragen, zoals: ‘Hoe laat gaat de bus?’ (alsof iemand dat weet).
De vraag: ‘Waar ga je naartoe?’ wordt gesteld door een vrouw. Mijn leerling kauwt even op de vraag en schudt dan zijn hoofd. ‘Naartoe??’ Ik vertaal de vraag. ‘Oh,’ knikt hij begrijpend. ‘Vandaar dat ze zo boos kijkt. Dan weet ik ook al welk antwoord erbij hoort.’ Hij wijst een angstige man aan.
En warempel. ‘Naar het café,’ is het antwoord van de man.

rol

‘Ga je mee naar een bandje kijken?’
De avond zelf vermengt zich met een tijd die ver achter me leek te liggen. De gitarist die strak van de spanning iedereen nog voor de ingang met een schreeuw en een knuffel begroet, een tikje aangeschoten. De zwartgeschilderde zaal, de mensen met band-T-shirts, lang en gekleurd haar, het publiek van slechts vrienden die alles meezingen, de gefrustreerde gitarist die na zijn gedwongen vertrek nog steeds naar optredens komt, de avond wordt beheerst door nieuwe personages die hun vertrouwde rol innemen. Alleen ik speel een heel andere rol. Ik heb dit keer geen enkel belang bij het trekken van iemands aandacht. En omdat ik me jarenlang op deze rol heb verheugd, speel ik hem met verve.

boekenbeurs

Toen ik voor het eerst ‘De schaduw van de wind’ las, was ik onder de indruk van het verhaal. Het was weer als een sprookje. De beschrijving van de stad Barcelona, de karakters en het spelen met goed en kwaad. Het was alsof ik weer net als vroeger een boek had dat ik opnieuw en opnieuw wilde lezen. Er kwamen nog twee boeken van dezelfde reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. En nooit kon ik het mijn leerlingen aanraden. Het was door een Spanjaard geschreven en het is, waarschijnlijk, want wat weet ik er nou van, geen literatuur. Door die enorme druk op leerlingen om alleen maar literatuur op hun lijst te zetten, en al het andere vooral pulp te vinden, minderwaardig, vinden de taferelen die zich hier dit weekend afspeelden, in Nederland nooit plaats.
Op de boekenmarkt in Buenos Aires, per dag bezocht door honderdenduizenden(!), signeerde schrijver Carlos Ruiz Zafon zijn nieuwste deel in de reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. Omdat ik intussen Spaans spreek, heb ik het laatste deel in het Spaans gekocht. En na drieënhalf uur wachten in een rij vol met huilende fanmeisjes in de leeftijd van 16 tot 25 jaar, heeft de schrijver mijn exemplaar gesigneerd.
Jongeren hebben hier ook een smartphone, waar ze continu mee in de weer zijn, begrijp me niet verkeerd, ik zie heus wel dat ook hier leerlingen niet makkelijk aan het leren te krijgen zullen zijn. Maar lezen, is hier iets heel normaals. Ze lezen hier wat ze willen lezen. Niemand vindt dat stom. Schrijvers hebben hier popsterrenstatus. En terecht.
Overigens vertelde ik Zafon trots in het Spaans dat dit mijn eerste keer in het Spaans wordt, en ik alle andere in het Nederlands heb gelezen. Hij lachte en zei iets terug. Niet verstaan. Het kan nog wel even duren voordat ik dit boek uitheb…