zit

De beker staat op tafel. Het boek ligt op tafel. De pen zit in mijn etui. Het is me wat voor de Spaanstaligen. Ze raken er niet over uit gepraat. ‘Waarom maken jullie het zo moeilijk? Waarom moet ik eerst nadenken of een telefoon een kont heeft voordat ik kan bepalen of hij op tafel zit of ligt??’ vraagt een van mijn leerlingen zich hardop af. ‘Dingen zitten niet op tafel. Je telefoon zit in je jaszak, maar nooit op tafel,’ antwoord ik. ‘Maar je kat zit op tafel.’Ze schudt haar hoofd. 

Ik probeer het geduldig nog een keer. 

‘Ik begrijp je,’ knikt ze. ‘Maar mijn kat mag niet op tafel. Hij zit op de vloer.’ 

Advertenties

wachtwoord

We hebben nieuw internet, vertelt de host me. En een nieuw wachtwoord. ‘Is het een makkelijk wachtwoord, dit keer?’ vraag ik lachend.
‘Voor jou wel,’ knikt ze.
Terwijl ik zoek op het whiteboard of ik het ergens kan vinden, bromt ze: ‘Het is in het Nederlands.’
Het wachtwoord bestaat uit twee cijfers en vijftien letters. Er komt geen enkele klinker in voor, maar wel 10 keer de letter M.

stef

Een van mijn leerlingen Nederlands krijgt van mij een uitgeschreven situatie voorgeschoteld. Ze moet een afspraak maken in het Nederlands met een oude vriend Stef. Om het niet te moeilijk te maken, zegt Stef overal ‘ja’ op en gaat dan verder met de volgende vraag. Na haar lang overdachte ‘zondagmiddag’, zegt hij dus direct ‘ja, hoe laat?’ Als ze zegt ‘om vier uur,’ antwoordt Stef ‘ja, waar zien we elkaar?’
Ze kijkt me lachend aan. ‘Stef is niet heel moeilijk he, hij heeft altijd tijd.’
De volgende les krijgt ze de vraag of ze wel eens een feest geeft.
‘Elke zondag,’ knikt ze. Liegbeest.
‘Wie komen er dan?’ vraag ik.
‘Stef,’ lacht ze uitdagend. ‘Elke week. Hij heeft altijd tijd.’

kippensoep

De huisbaas vertaalt elk woord dat hij wil zeggen in het Engels. Vaak weet hij de vertaling echter niet. Nu er minder Amerikanen in het huis wonen, moet ik vaak opdraven met een vertaling. Dan geef ik ook altijd de Nederlandse vertaling erbij. Die vindt hij over het algemeen belachelijk lastig (achthonderdachtentachtig) of nergens op slaan (ui en ei).
Hij vertelt zijn vrouw trots dat hij kippensoep heeft gemaakt en vraagt of ze komt eten.
‘Chicken soup,’ voegt hij eraan toe, met een schuine blik op mij. Dan kijkt hij haar weer aan. ‘In het Nederlands zeggen ze waarschijnlijk chickenengsoupeneng.’

nederlands

Een Argentijn die Nederlands leert, wil natuurlijk als eerste weten hoe hij scheldt. Ik heb wat scheld-ideeën gegeven en gelogen dat ik niet zo vaak scheld en het dus ook niet goed weet. Zijn persoonlijke favoriet is ‘kut’. Je kunt het overal voorzetten, hij gebruikt het normaal gesproken in het Spaans ook en het is makkelijk uitspreekbaar.

Hij is intussen een paar dagen in Nederland en begrijpt dat het kwik niet boven de 20 graden uit gaat komen en zijn regenjas niet voor niks mee is. Negentig procent van onze gesprekken gaat over het weer. Hij wijst naar boven en vraagt wat het Nederlandse woord voor nubes is. ‘Wolken.’ Hij knikt en kijkt omhoog. ‘Kutwolken,’ bromt hij.

aantrekkelijk

De leerlingen uit mijn 4V-klas moeten schrijven over kledingvoorschriften op school. Het resulteert in 51 betogen over verboden naveltruitjes en spaghettibandjes in de ban. Ik lees 51 keer verschillend geformuleerd hetzelfde argument: docenten raken direct opgewonden van een laag decolleté en medeleerlingen worden hitsig van een string boven een spijkerbroek. Het moet voorkomen worden met het verplicht stellen van coltruien of een uniform.

Ik heb hen wel geleerd, ook om het voor mezelf een beetje dragelijk te houden, dat ze de eerste alinea aantrekkelijk beginnen.

‘Het is zomer, dus overal komen de barbecues tevoorschijn,’ opent een van de jongens enthousiast. Het vervolg is echter in dit verband absoluut opvallend. ‘Maar dat is niet het enige wat tevoorschijn komt.’

verbeteren

Op een verjaardag zit ik in de kring van mijn wijntje te genieten. Ik eet een plakje worst. Eén van de genodigden heeft net aan mij gevraagd wat ik tegenwoordig doe en ik heb haar uitgelegd dat ik Nederlands geef op een middelbare school.

‘Oh. Mijn broer is ook altijd zo op de taal, die verbetert me de hele tijd. Ik vind dat zo vervelend hè, doe jij dat ook?’

Ik glimlach. ‘Nee. Ik ben nu niet aan het werk.’

Ze knikt, maar snapt duidelijk niet wat ik bedoel.

‘Maar heb je dan tips, hoe ik ervoor zorg dat mijn broer me nooit meer verbetert?’

Ik haal mijn schouders op en neem een slok wijn. ‘Nooit meer wat verkeerd zeggen.’