bouillonblokjes

Een Chinees en een Hollander zijn in Buenos Aires. De Chinees heeft een supermarkt en de Hollander is op zoek naar bouillonblokjes.
De Hollander gaat de winkel van de Chinees binnen. Omdat hij het Argentijnse woord voor bouillonblokjes niet weet, legt hij met zijn gebrekkige Spaans uit wat hij wil. Hij beeldt een pan uit en zegt dat het water kookt en om soep te maken moet er wat in wat ongeveer deze grootte heeft in het vierkant.
De Chinees knikt. ‘Si.’ Dan zoekt hij wat achter de kassa en komt terug met een doosje pleisters.

(Noot: moet wel gezegd dat er achter mij een Argentijn stond, die me direct begreep en het woord ‘cubitos’ tegen de Chinees zei. Dat klonk mij als ‘blokjes’, dus ik knikte. Pleisters zijn ‘curitas’. Weet ik veel.)

Advertenties

boekenbeurs

Toen ik voor het eerst ‘De schaduw van de wind’ las, was ik onder de indruk van het verhaal. Het was weer als een sprookje. De beschrijving van de stad Barcelona, de karakters en het spelen met goed en kwaad. Het was alsof ik weer net als vroeger een boek had dat ik opnieuw en opnieuw wilde lezen. Er kwamen nog twee boeken van dezelfde reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. En nooit kon ik het mijn leerlingen aanraden. Het was door een Spanjaard geschreven en het is, waarschijnlijk, want wat weet ik er nou van, geen literatuur. Door die enorme druk op leerlingen om alleen maar literatuur op hun lijst te zetten, en al het andere vooral pulp te vinden, minderwaardig, vinden de taferelen die zich hier dit weekend afspeelden, in Nederland nooit plaats.
Op de boekenmarkt in Buenos Aires, per dag bezocht door honderdenduizenden(!), signeerde schrijver Carlos Ruiz Zafon zijn nieuwste deel in de reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. Omdat ik intussen Spaans spreek, heb ik het laatste deel in het Spaans gekocht. En na drieënhalf uur wachten in een rij vol met huilende fanmeisjes in de leeftijd van 16 tot 25 jaar, heeft de schrijver mijn exemplaar gesigneerd.
Jongeren hebben hier ook een smartphone, waar ze continu mee in de weer zijn, begrijp me niet verkeerd, ik zie heus wel dat ook hier leerlingen niet makkelijk aan het leren te krijgen zullen zijn. Maar lezen, is hier iets heel normaals. Ze lezen hier wat ze willen lezen. Niemand vindt dat stom. Schrijvers hebben hier popsterrenstatus. En terecht.
Overigens vertelde ik Zafon trots in het Spaans dat dit mijn eerste keer in het Spaans wordt, en ik alle andere in het Nederlands heb gelezen. Hij lachte en zei iets terug. Niet verstaan. Het kan nog wel even duren voordat ik dit boek uitheb…

met de bus

Het is acht uur als we naar de bushalte lopen. De zon is intussen onder gegaan, maar de straten en gebouwen, alles van beton, geven nog altijd dezelfde warmte af. Afkoelen doet het hier niet ’s nachts. In de straat achter het station stopt de bus naar Palermo, 166. Vanaf de bushalte kringelt zich een slordige rij van bezwete mannen, wapperende vrouwen en jengelende kinderen over de stoep. We sluiten achteraan in de rij. Zo gaat dat hier. Je wacht op de bus in een rij.
Als de bus na een minuut of vijftien eindelijk aan komt rijden, mijn voeten zijn intussen lekgeprikt door de muggen die je in het donker niet ziet, maar wel voelt, dringen de mensen met kinderen een paar plaatsen voor. Iedereen laat het toe. De rij is heilig, behalve voor bejaarden, zwangeren, slechten ter been en ouders met kinderen. De jongens die in de rij de hitte negeren en hun vriendinnetjes ongeneerd overal betasten zien niet eens dat de hele bende langs hen heen de bus instapt.
Mijn jongen houdt gelukkig wel rekening met de temperatuur en laat het bij een nadrukkelijke maar korte zoen als afscheid. Ik stap in als alle plaatsjes al bezet zijn en vertel de buschauffeur dat ik naar Palermo ga. Meer dan knikken doet hij niet en hij laat ongemerkt het bedrag van 6 en halve peso verschijnen op de machine naast hem. Ik houd mijn ovkaart er tegenaan.
Ik wurm me langs de mensen door het gangpad en zet mijn achterwerk tegen een van de metalen buizen aan, zodat ik in elk geval ergens mijn evenwicht door kan vinden. De buschauffeur zet het gevaarte in beweging en de bus trekt op als een dolle stier. Het lijkt alsof de man de bochten pas heel laat aan ziet komen en overhellend scheurt de bus de bocht om. Bushaltes zijn nauwelijks ergens aan te herkennen, behalve dan aan de sliert mensen die ineens op het voetpad opduikt. Vandaar waarschijnlijk dat de chauffeur ook die haltes pas heel laat opmerkt en dan ineens als een waus op de rem trapt.
Dat ik mijn achterwerk tegen een buis aan heb gedrukt, kan niet voorkomen dat ik mij nog aan twee andere buizen vast moet grijpen en in mijn linkeronderbeen intussen al een kramp trekt. Niet erg, de busreis van Morón naar Palermo duurt slechts een slordige 70 minuten.
Terwijl ik me staande houd aan een van de stangen boven mijn hoofd en de chauffeur weer plotsklaps gas geeft, wordt mijn aandacht getrokken naar een jongen van een jaar of 25 die een jongen van 16 aantikt. Die zat net even lekker met zijn vriendinnetje te knuffelen. Zat. Want daar is de 25-jarige het niet mee eens. Er staat een meisje naast hem. Hij kent haar niet, is niet met haar ingestapt, maar hij heeft gezien dat ze een kind op haar arm draagt. Het kind hangt laveloos in de armen van zijn jonge moeder met zijn open mond nog aan haar blote tepel.
‘Sta eens even je plaatsje af aan haar,’ bromt de ridder in joggingsbroek. De tiener doet vlug wat hem gevraagd wordt.
Het meisje gaat zitten en laat haar slapende peuter op haar schoot rusten. Dat alles doet ze behoorlijk vloeiend, terwijl de chauffeur gierend en toeterend de hoek om stuift. Nog 50 minuten te gaan.

de bibliotheek van Buenos Aires

Soms schrijf ik in de bibliotheek. Ik kan er rustig werken. Mensen zitten daar te studeren of te lezen of te werken aan een boek. Daar pas ik tussen.

Het binnengaan van een bibliotheek in een land waar het communisme nooit helemaal verdwenen is, is een heel avontuur. Allereerst moet je jezelf melden bij de balie. Daar moet je je paspoort geven aan de mevrouw met de make up en het gestijlde haar, die je in het systeem opzoekt. Als je nog niet in het systeem staat, zet de mevrouw je in het systeem. Ze vraagt ook naar welke verdieping je gaat. Je moet even wachten tot het systeem klaar is met denken. Dan krijg je een bonnetje. Daarop staat in blokletters je naam. LOOTENS, JANN, staat er bij mij. Met dat bonnetje ga je door de beveiligingspoortjes. Daarna ga je om de beveiligingspoortjes weer terug naar de beveiliger, met een iets te kleine broek aan, aan wie je vertelt dat je een computer bij je hebt. Je laat de computer even zien, in de hoes. Je hoeft hem niet uit de hoes te halen. Je moet vertellen welk type computer je hebt en dan vraagt ze je bonnetje. In haar grote boek schrijft ze je naam op en je computer en je verdieping. LOOTENSJANNMAC6. Ze krabbelt ook nog een code op je bonnetje waarna je met de lift naar de zesde mag gaan. Wat de code betekent is mij niet duidelijk.

Er wordt niet gecontroleerd naar welke verdieping je gaat. Verdieping 4 is verboden terrein en daar kun je dus met de lift ook niet heen. Op verdieping 4 staan de oudste boeken van het land en dat is dus de schatkamer van Buenos Aires. Daar hebben ze liever niemand rondneuzen.

Als je uitstapt bij verdieping 6 kun je plaatsnemen aan een van de grote tafels. Alleen op verdieping 6 kun je eten en drinken terwijl je werkt. Hier stikt het van de mensen die naast hun computer een thermosfles hebben staan. Heet water. Voor de mate. Er is een prullenbak in de hele zaal. Daarin worden alle mate-hierba weggegooid.

Als je iets anders wilt eten dan crackers, zoals empanada’s, of je wilt roken, dan ga je weer naar beneden. Als je een vriendin hebt die niets hoeft te eten, en die dus op de zesde verdieping blijft, kun je bij haar je computer achterlaten. (Niet aan te raden als je alleen bent). Je komt langs de beveiliger aan wie je je bonnetje weer laat zien. Dat je nu je computer niet bij je hebt, maakt haar niet uit. Je levert je bonnetje in en je krijgt een nummertje van haar. Hetzelfde nummertje plakt ze op je bonnetje. Het beplakte bonnetje legt ze op een stapeltje. Met het nummertje kun je naar buiten. Als je je empanada helemaal ophebt en je hebt weer hernieuwde inspiratie gekregen van de wind die onder de bibliotheek doorraast, dan ga je weer naar binnen. Je geeft het nummertje weer aan de beveiliger die tussen de andere bonnetjes naar jouw bonnetje zoekt (het zou niet zo moeilijk moeten zijn, ze liggen immers op nummer) en je eigen bonnetje weer geeft. Dan ga je weer naar de zesde.

Als je weer helemaal klaar bent met werken en je bent van plan huiswaarts te keren, geef je de beveiliger voor de laatste keer je bonnetje. Zij knikt en wenst je een fijne dag. Waarom iemand moest weten welke computer ik had, is mij een volslagen raadsel.

Hoe ik van hostel naar hostel ging

Ik dacht dat het een goed idee was om van hostel te veranderen. Ik zat nu drie weken in hetzelfde hostel, laten we het hostel A noemen, dat is voor het verloop van dit verhaal wel handig. Het huis dat Nadia en Daniel een hostel hebben gemaakt is groot, ruim, schoon en rustig. Het is zo veilig, ik kon wel wat meer uitdaging gebruiken. Dus ik boek via Airbnb een kamer niet ver hiervandaan in hostel B. ‘Hostel Casa opent haar deuren,’ staat er in de advertentie en dat klinkt heel welkom.
‘Hoe laat ben je er zondag?’ vraagt B via Airbnb.
‘Twaalf uur, komt dat uit?’
‘Sisi claro,’ zegt hij, wat volgens mij niet anders te vertalen is dan ‘Ja, ja, natuurlijk.’
Om twaalf uur sta ik voor de deur van hostel B.
Ik heb dan net een half uur gelopen met mijn kleine koffertje en rugzak. Het is inmiddels alweer 32 graden en het zweet staat onder andere op mijn bovenlip.
Hostel B, dat beloofde zijn deuren te openen, opent vrij weinig. Nou weet ik ook wel dat Argentijnen een andere klok hanteren dan Nederlanders, dus ik hield rekening met een vertraging op de lijn. Ik gebruik wel de Airbnbapp om een berichtje te sturen dat ik er ben. Dat doe ik 10 minuten later nogmaals en een half uur later weer. Ik heb het warm.
Heel warm. Ik probeer hem te bellen, maar dat werkt niet. Zijn telefoonnummer? Mijn Argentijnse telefoonkaart? Ik weet niet waar het aan ligt, maar het telefoontje wordt direct afgebroken. Ik stuur hem opnieuw een berichtje. Dat ik ergens een plek ga zoeken om te lunchen en dat hij me dan kan appen als hij er is.
Verderop in de straat doemt er een Subway op. De broodjeszaak wel te verstaan, niet de metro. Die heet de subte hier en doemt daarnaast ook niet op.
Kanend in de Subway, het wordt een duurdere kamer op deze manier, verwissel ik mijn kaartje in mijn telefoon en probeer met mijn Nederlandse nummer hostel B te bellen. Helaas, hij gaat nog altijd niet over. Mijn telefoon heeft ineens nog maar 15 procent dus ik ga in mijn rugzak op zoek naar mijn mobiele oplader. Gevonden. En mijn snoertje. Ook gevonden. Prettig. Al slaap ik op straat vannacht, mijn spullen zijn goed gesorteerd.

Ik surf even op airbnb naar andere plekken. Ik kan naar mijn vriend gaan, maar voor hem is het nog een beetje vroeg om de telefoon op te nemen. Bovendien zie ik de busreis richting die buitenwijk met die koffer nog minder zitten en ik verschuif mijn zoektocht naar hostelworld. Deden we dit niet ook op deze manier in Bolivia? Een hostel uitzoeken voor dezelfde nacht ergens in een Subway of Burgerking?
Er is een hostel met nette kamers. Wel duurder dan hostel B, maar goed, voor die prijs wordt ook van je verwacht dat je jezelf onder een brug te slapen legt.
Ik boek een kamer in het nieuwe hostel, hostel C, want ik vermoed niets meer van hostel B te horen. Hostel Beter veranderde in hostel Betervanniet.
Ik had nog afspraken staan die middag, dus ik moest haast gaan maken. Ik hield buiten de Subway een taxi aan en vertelde hem ongeveer het adres. ‘Even het nummer erbij zoeken.’
‘Je bent hier al langer zeker.’
‘Hoezo?’
‘Jij komt niet net van het vliegveld.’
Nee. Uit de Subway, wil ik nog zeggen, maar ik hou me in, want hee, het is een compliment over mijn Spaans. Ik bedenk me wel ineens dat ik geen geld meer opgenomen heb en dat zou ik gaan doen als ik me heerlijk in mijn kamer had geïnstalleerd. Niet gebeurd. Dat installeren al niet, laat staan dat geld opnemen. Ik leg het de taxista uit. Hij knikt, weet wel een bank, daar rijden we wel langs.
Volgende probleem: dan moet ik dus met koffer en rugzak uit die taxi, want anders rijdt hij straks weg met één van mijn twee bagages en dan hoorde je iedereen: ja wie vertrouwt er dan ook een taxichauffeur… Of ik moet de autodeur openlaten, want zou ie wegrijden met zijn autodeur nog open?… Ik neem letter voor letter het bord met zijn naam in mij op. Ik laat dat ook weer zitten, want het heeft geen enkele zin. Dan bel ik de politie, vertel dit verhaal, noem die naam en zij zeggen: tja.. hij reed in een zwart gele taxi? Die hebben we zo gevonden, daarvan rijden er maar anderhalf miljoen in de hele stad. Ik probeer de chauffeur in te schatten. Niet echt het stelende type, maar ja, dan zeggen ze hier: jij ziet het gevaar niet.
Ik zie dat de meter niet zo hard opliep als in de nacht. ‘Hoeveel is het dan, tot aan Charcas?’
‘Vijftig pesos.’
Ik tel er voor het gemak twintig bij op, want ze zijn niet erg nauwkeurig, taxichauffeurs. Dat redde ik wel. Ik zeg hem door te rijden naar het hostel.
Ik moet 48 pesos betalen, en ik geef mezelf een schouderklopje. Je hebt hem goed ingeschat, hij zou niet zijn weggereden. Even voor het beeld: 48 pesos is zo’n drie euro. Daarvoor mag je in Amsterdam nog niet eens naar een taxi gluren.

De kamer in hostel C is aan de kleine kant, een gemiddeld Nederlands kind heeft meer ruimte op zijn kamer en daar staan normaal gesproken niet vier stapelbedden in. Maar goed, de badkamer is schoon en alles is heel. Ik deel een kamer met Sofia uit Mendoza en nadat we awkward onze namen hebben uitgewisseld, omdat ik op zo’n moment altijd de verkeerde vragen stel, vertrek ik naar San Telmo. Het is tenslotte zondag.
Als ik om een uur of tien terugkom uit San Telmo, nog altijd niets van hostel Betervanniet gehoord, zoek ik verder op Airbnb. Ik moet voor de volgende dag immers weer een slaapplaats hebben. Ik lees dat in het geval van een klacht Airbnb binnen 24 uur op de hoogte moet worden gebracht. Ik doe het maar gelijk. Ik annuleer de reservering bij hostel Betervanniet en begin een zoektocht naar hostel D. Alles wat ik enigszins niet Dramatisch of Droevenis vind, is al bezet vanaf de volgende dag en ik denk eroverna terug te keren naar hostel A. Maar ja. Dan moet ik terug. En ik wilde nou net een stapje vooruit doen. Weg uit de veilige omgeving. Na lang zoeken vind ik hostel D. Ik doop het hostel met slaperige ogen hostel Doenwe en ik val in slaap.
Sofia is erg rustig, maar moet wel om drie uur ’s nachts opstaan om haar vliegtuig te halen. En ze is niet de enige nachtbraker: de bel gaat elk half uur. Hostel C is acceptabel, maar Chaos.

De volgende dag heb ik een bericht van hostel Doenwe. Dat hij wel plek had, maar of ik even kon komen kijken, hij bevestigde nog niets. Leuk dit weer.
Ik sta rustig op, douche uitgebreid, ontbijt is inbegrepen en ik app hostel Doenwe of elf uur uitkomt. Nee, dan was hij er nog niet. Twee uur is beter. Ik app terug dat het allemaal goed is en ik check uit bij Chaos. Mijn spullen mag ik daar opslaan, ik vertrek met alleen mijn opschrijfboekje, laptop en telefoon. De rest mag iedereen jatten, maar dat zal hoogstwaarschijnlijk niet gebeuren.
Als ik in een koffietent wafels zit te eten (dure kamer, intussen) en iets wil tekenen in mijn boekje is net mijn fineliner helemaal op. Er zitten er nog negen in mijn koffer, maar die worden nu gejat door een alternatieve Colombiaan in hostel Chaos.
Wat schetst mijn verbazing als ik ineens bericht terugkrijg van Betervanniet. Of ik wel het goede adres had.
Lachen dit. Ik vraag hem of hij het niet vreemd vond dat hij de hele dag zat te wachten op een meisje dat niet op kwam.
Daar reageert ie niet op, maar hij vraagt wel of ik wil komen kijken. Ik twijfel. Ik heb nog niks zwart op wit met hostel Doenwe en hostel Betervanniet leek wel echt Beter op Airbnb. Vooruit dan maar. Om kwart over 1 dan, want ik moet op tijd bij hostel Doenwe zijn. ‘Waarom eigenlijk, je bent in Argentinië,’ die gedachte komt niet in me op.
Ik drink snel mijn thee op, raffel mijn werk tot dan toe af, betaal de rekening en loop in de bloedhitte tien blokken naar het huis.
Mevrouw Betervanniet doet open en vraagt wie ik ben. ‘De kerstman,’ denk ik nog, maar ik glimlach vriendelijk. Ze overlaadt me met excuses, als ze begrijpt wie ik ben.
‘Ik was er niet gisteren,’ zoveel had ik door, ‘en degene die er had moeten zijn, kan ik niet bereiken.’ Nee. Ik ken het gevoel.
Als ik de trap op ben, kom ik in een grote ruimte, waarin zich de keuken bevindt. De geweldige keuken, die ik voor me zag als een plek waar ik mensen uit kon nodigen. Nu ik hem zie, lijkt dat me geen goed idee. Als mensen hier binnenkomen en blijven eten, zullen ze daarna de grootste moeite ondervinden om hun aangekoekte onderarmen weer van het tafelblad te verwijderen vooraleer ze huiswaarts kunnen keren. Ik glimlach weer. Ze laat me een van de kamers zien. Ze zegt er nog bij, dat deze nog niet is schoongemaakt. Niets wijst erop dat ze me gisteren al verwachtten. De kamer is donker vanwege de gesloten luiken, die echter wel het nodige lawaai van de straat doorlaten. Het bed geeft een bijzondere geur af en meer dan het bed past er ook niet in de kamer. Ik vermoed dat je jezelf vanuit de deuropening direct op het bed laat vallen en ze hadden kunnen adverteren met ‘authentieke bedstee’.
Ze ziet de vertwijfelde blik in mijn ogen en stelt voor naar een andere kamer te gaan kijken. Ze neemt me mee over de galerij en vertelt intussen over hoe fijn deze buurt is, goedkoop en alsnog net zo veilig als Palermo. Of ik de buurt ken. Intussen wel, aangezien ik hem goed heb kunnen bestuderen toen ik hier een half uur op de stoep zat gisteren.
We lopen de trap op en ik kan over de daken kijken. Ik merk dat dat me toch wel wat doet. Ik krijg een goed gevoel totdat we langs een kamer komen, waarvan de deur openstaat en ik zie een bijzonder manspersoon, kaalgeschoren, onder de tatoeages, met een uitdragerij om zich heen. Ik probeer mijn vooroordelen aan de kant te zetten en stel me hem voor als meester op een basisschool, groep 1. De kamer die wij gaan bekijken, grenst aan die van hem. Hij doet schichtig de deur dicht, zegt niets, doen meesters op de basisschool ook wel eens. Ik kan via mijn kamer door een gat in de muur bij zijn kamer naar binnenkijken. Het is niet een bedacht gat, het ziet eruit alsof iemand er een kanonskogel doorheen geschoten heeft. De deur dicht doen was dus geen oplossing voor mijn de meester van groep 1. Ook deze kamer is niet schoongemaakt, is wel iets groter, maar het gat in de muur en de meester aan de andere kant van het gat, baren me zorgen.
Als we teruglopen, krijg ik een glimp mee van de wc. Ik zou daar niet op durven. En dat wordt toch wel een probleem als je twee weken ergens verblijft. Lijkt me vermoeiend, elke keer naar de Mc Donald’s om te schijten.
Bijna rennend verlaat ik het pand. En ik merk dat ik in het Nederlands hardop praat als ik de deur achter me dichttrek. ‘In geen miljoen jaar.’ Hostel Betervanniet wordt op de valreep nog Hostel Breekmedebeknietopen.
Tijd om me naar hostel Doenwe te begeven. Ik check in de Airbnbapp het adres, voordat dat me weer verweten wordt. Daar heeft Doenwe een bericht achtergelaten. Hij is wat later, is dat geen probleem, heel druk op z’n werk. Ik vind het wel vervelend, maar ik geef hem een compliment dat hij het me netjes meldt. Me lopend door de brandende straten begeven lijkt me geen strak idee en ik ga toch maar die Mc Donalds binnen om naar de wc te kunnen. Met een paar nuggets en een nieuwe fles water wacht ik tot hij me bericht dat hij in het huis is. Hij bericht me 20 minuten later dan de afgesproken tijd dat hij er is. Ik loop er opgewekt heen. Dit zal de plek zijn voor de komende maand, ik weet het bijna zeker.
Hij stelt zich voor als Lucas en vermeldt dat hij geen Frans spreekt. ‘Dat geeft niet, ik ook niet,’ stamel ik wat verbaasd. ‘Nee ik spreek geen Frans,’ zegt hij nog een keer. Ik laat het zo. Misschien ligt het aan mijn Spaans.
Het huis dat we binnengaan heeft hoge plafonds en de gang staat tot aan die plafonds volgestouwd met dozen. Mari Kondo zou over dit huis een geheel nieuwe versie van haar boek kunnen schrijven. De kamers zijn prima, maar het beddengoed is een beetje vunzig. Daarnaast heeft hij pas vanaf halverwege deze week een kamer voor me vrij. Weinig in het huis doet gezellig aan en het is bedompt en warm. Als ik een blik werp in één van de badkamers zie ik dat er een stuk uit de stortbak is… geslagen(?). Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat ik ook hier niet rustig een maand ga zitten. Ik bedank Lucas en maak opnieuw dat ik wegkom. Hostel Doenwe wordt Hostel Doenweniet. Ik kan nu wel weer gaan zoeken tot ik vanavond laat in Hostel Xouhetnietdoen uiteindelijk helemaal gek word, maar ik krijg het gevoel dat dit geen zin heeft. Op de hoek van de straat neem ik een besluit en met hangende pootjes app Nadia of ik mag terugkomen. Dat vindt ze alleen maar leuk. Ik haal mijn spullen op bij hostel Chaos en zo komt het dat ik in twee dagen van Hostel A naar Hostel A ga. Met een omweg.

vliegtuigen

Ik las dat een Indiase vliegmaatschappij heeft besloten om een aantal rijen in een vliegtuig kindvrij te maken. Ik vind dat een prettige ontwikkeling. Ik heb geen kinderen en ik reis, verrassend misschien, graag rustig.

Indiase ouders blijken erg ontdaan van dit bericht. Dat snap ik niet zo goed. Het gaat om de rijen 11 t/m 14. Stel dat je liever niet op rij 24 wil zitten, weetikveel, boven een vleugel ofzo, dan blijven er nog altijd een hoop rijen over om met dreinend volk aan het raam te zitten. Het is niet zo dat de maatschappij aankondigt om voortaan kinderen uit alle vliegtuigen te weren. Waarom niet, vraag ik me bijna af. Begrijp me goed, ik ben niet tegen kinderen, maar ik heb wel door dat ze een bijzonder belangrijke plaats innemen in het leven van mijn medemens. Niet in mijn leven. Ik kies er bewust voor om dat nog even uit te stellen. Bijvoorbeeld omdat ik graag (rustig) reis. Als ik een plek op wil zoeken waar veel kinderen zijn, dan kan dat. Speeltuinen, restaurants, treinen, winkels, de straat, mijn tuin, alle verjaardagen van al mijn vrienden en ga zo maar even door. Als ik een plek op wil zoeken waar geen kinderen zijn, dan is dat bijna niet mogelijk. Mijn huis. Maar daar blijft het bij. Als er een mogelijkheid bestaat om te kunnen kiezen, wel of geen kinderen, dan zou ik zelfs bereid zijn om daar extra voor te betalen.

Dat gaf trouwens 80 procent van de ondervraagden in een onderzoek van de betreffende vliegmaatschappij ook aan. En dat is de reden waarom ze met deze proef beginnen.

Ik heb allerlei artikelen die over dit bericht gingen, gelezen. Ik vond het namelijk een bijzonder gegeven dat die ouders zo ontdaan zijn. Er werden zelfs argumenten gegeven.

Laura Brook vond het bijvoorbeeld belachelijk dat ze niet meer op rij 11 t/m 14 mocht zitten met haar zoon. Ze vloog recentelijk nog met hem. Hij had een oorinfectie en huilde de hele vlucht. Ze vond het niet nodig uit te leggen waarom hij huilde.

Ik vind dat ook niet nodig. Maar ze denkt dus blijkbaar wel dat andere mensen het nodig vonden dat ze uitleg gaf. Waarom zou je anders aangeven dat je dat niet nodig vond? Blijkbaar heeft Laura Brook de geërgerde blikken van de mensen om haar heen opgevangen. Hoewel waarschijnlijk al deze blikken betekenden: ‘Dit is kut’, dacht Laura Brook blijkbaar dat ze betekenden: ‘Geef me een goede reden waarom dit joch blijft huilen.’ Dat denken die mensen helemaal niet, want die weten heel goed dat je dat een kind niet kwalijk kan nemen. Wat zal Laura zich opgelaten hebben gevoeld. Onterecht. En het voordeel voor haar is, dat ze dat niet meer hoeft te voelen. Mensen die dat gejank niet willen, moeten voortaan gewoon meer betalen en dan mogen ze ergens anders zitten. Wat fijn voor Laura.

Hoewel ik de meeste kinderen in staat acht om verder te schreeuwen dan drie rijen, ben ik toch blij met de ontwikkeling. Het is een begin. Ik wil niet dat kinderen hun mond houden, ik snap dat dat niet altijd kan. Ik wil de mogelijkheid hebben me daarvoor af te sluiten.

‘What’s next?’ vroeg Renee Weaver zich af. ‘Kindvrije restaurants, winkelcentra, bibliotheken en parken?’ Ik hoop het echt. Ik roep het al jaren trouwens.

sao paulo

Vies, druk en gevaarlijk. Zo noemt Columbus Travel de stad waar ik intussen twee keer een paar weken verbleef. Let wel, Columbus Travel heeft als slogan ‘het avontuur ligt om de hoek’. U kunt het artikel hier teruglezen, als u wilt. Maar ik leg het rustig even uit. Ik vind Sao Paulo namelijk ook een vieze, drukke en gevaarlijke stad.

De stad is besmeurd met graffiti. Overal zijn de huizen en gespoten en geverfd. De beste straatkunstenaars (‘Os Gêmeos’) komen uit Sao Paulo. Er is een straat die Beco de Batman heet en door studenten van de kunstacadamie tot en met de straatstenen wordt beklad. Behoorlijk vies.

Deze straat ligt in een gevaarlijke wijk. Zeker in het weekend. Overal zijn barretjes en winkeltjes, waar je buiten op straat wat kan drinken of eten. Dat doet ook iedereen. Mensen werken hier 10 tot 12 uur per dag. Het enige waar ze nog zin in hebben, na hun werk is zuipen. Hartstikke gevaarlijk voor je portemonnee. En je lever.

Maar dat is nog niet alles. Je kunt bijvoorbeeld vlakbij metrostation Republica ook het gebouw Italia op. Het gebouw heeft 47 verdiepingen. Met drie verschillende oude metalen liften moet je omhoog. Boven is het uitzicht verpletterend, nooit zag ik zoveel wolkenkrabbers tot aan de horizon. Ik zag zelfs de helft van de stad in de regen liggen, terwijl de andere helft in de zonneschijn lag. Erboven vlogen drie helikopters, want per helikopter ben je nou eenmaal sneller op je bestemming in deze stad dan over de vloer. Gevaarlijk daarboven. Je krijgt namelijk zomaar een glas prosecco als je het terras op komt.

En druk, zo druk. Als je ‘s ochtends met de metro gaat, kom je terecht in een stroom van miljoenen mensen. Letterlijk miljoenen mensen. Dranghekken houden hen in de juiste stroom in de gangen van de metrostations. In metrostation Se kun je van bovenaf drie perronnen naar beneden kijken om een mierenhoop aan mensen te begluren. Elke minuut komt er een nieuwe metro aanrijden. Elke minuut stappen honderden mensen in.

Op zondag wordt de hoofdader door de stad afgesloten voor mensen die willen fietsen. Kun je je voorstellen hoe druk het dan is. En dat allemaal voor mensen die willen fietsen door deze enorme metropool. Wie wil dat nou. Lijkt me vooral in combinatie met die plotselinge regen- en onweersbuien een enorm gevaarlijke combinatie.

Kortom, vies, druk en gevaarlijk. Echt een stad om nooit naartoe te gaan. En zeker niet voor het avontuur.

pub

De pub. Waar je ook bent ter wereld, de pub werkt als een vluchtheuvel. De pub is Zwitserland. Al die nieuwe indrukken in zo’n stad ver van huis. In een pub gelukkig, is altijd alles overal hetzelfde.
In elke pub staat de voetbalwedstrijd aan, de bar is van donkerbruin eiken, een jongen met een schichtig rood hoofd laat zich niet gek maken, spreekt slechts Engels en schenkt altijd dezelfde pint in en je kunt fish and chips eten die overal hetzelfde smaken. Even niet nadenken. Iedereen mag er binnenkomen, er wordt niet gelet op afkomst, kleding of schoonheid. Als ze al een deurbeleid hanteren dan is het hoe lelijker hoe beter.
En je hoort in de verschillende hoeken nog eens een mooi Engels, Iers of Schots accent.
In Sao Paulo is een Ierse pub. Waar geen Ier te bekennen is, donkere Braziliaansen met geblondeerd haar de bestelling opnemen en je moet betalen om binnen te komen. Vreemd. Niemand kijkt naar de tv, waar een spannende slotfase van de wedstrijd Liverpool – Man City te zien is. Vreemd. Er staan bitterballen op het menu. Letterlijk. Bitterballen. Vreemd. En die zijn ook nog eens niet te hachelen. Heel vreemd.
Om 22:30 gaat de band spelen. Drie mannen met blanke gerimpelde koppen van een jaar of vijftig zijn al een paar keer heen en weer gelopen met hun gitaren die donkerbruine eiken trap op. Ieren? Ik help het iedereen hopen.
We lopen achter de massa aan naar boven en ik zie de drie op een geïmproviseerd podium uit hun panty gaan. Even denk ik dat het gelukkig toch een pub is. Ze hebben een uitgebreid rockrepertoire dat ze overtuigend brengen. Niet teveel met de mond open, niet teveel naar elkaar toe bewegen op dat podium, gewoon staan en raggen.
Ze spelen goed, ik herken alle akkoorden en ritmes direct. Maar het zijn geen Ieren. Sterker nog, toen een van de drie een coverband startte, heeft hij in de advertentie gezet: Engels spreken is geen vereiste. Metallica, the Strokes, Stones en U2, het gaat achter elkaar door en er is geen woord van te verstaan.
‘Emailsiiiiilhevefouuuuuwodaimloekifoooooor’.
De Brazilianen worden gek. Heerlijk vinden ze het. Ze zingen keihard alle nummers fonetisch mee.