naartoe

Ik heb voor een leerling een werkblad gevonden waarop in het Nederlands vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven door getekende mensjes. De vragen en antwoorden staan door elkaar en moeten bij elkaar worden gezocht. De mensjes stellen soms voor een Argentijn rare vragen, zoals: ‘Hoe laat gaat de bus?’ (alsof iemand dat weet).
De vraag: ‘Waar ga je naartoe?’ wordt gesteld door een vrouw. Mijn leerling kauwt even op de vraag en schudt dan zijn hoofd. ‘Naartoe??’ Ik vertaal de vraag. ‘Oh,’ knikt hij begrijpend. ‘Vandaar dat ze zo boos kijkt. Dan weet ik ook al welk antwoord erbij hoort.’ Hij wijst een angstige man aan.
En warempel. ‘Naar het café,’ is het antwoord van de man.

Advertenties

stef

Een van mijn leerlingen Nederlands krijgt van mij een uitgeschreven situatie voorgeschoteld. Ze moet een afspraak maken in het Nederlands met een oude vriend Stef. Om het niet te moeilijk te maken, zegt Stef overal ‘ja’ op en gaat dan verder met de volgende vraag. Na haar lang overdachte ‘zondagmiddag’, zegt hij dus direct ‘ja, hoe laat?’ Als ze zegt ‘om vier uur,’ antwoordt Stef ‘ja, waar zien we elkaar?’
Ze kijkt me lachend aan. ‘Stef is niet heel moeilijk he, hij heeft altijd tijd.’
De volgende les krijgt ze de vraag of ze wel eens een feest geeft.
‘Elke zondag,’ knikt ze. Liegbeest.
‘Wie komen er dan?’ vraag ik.
‘Stef,’ lacht ze uitdagend. ‘Elke week. Hij heeft altijd tijd.’

roepen

Met een van mijn Argentijnse leerlingen oefen ik de voorzetsels. Na een bijzonder spannende tekst over een ober en een lastige klant in een restaurant verdiepen we ons in een uitermate gedetailleerde tekening van een keuken waarin zich vijftien muizen bevinden en een gillende vrouw. Aan mijn student de nobele taak om te omschrijven waar alle muizen zich bevinden. ‘Er zit een muis… op de kaas.’ Tien punten. ‘Er zit een muis in de la.’ Weer goed. Na vijftien keer begonnen te zijn met ‘Er zit een muis,’ is hij er klaar mee. Ik ook. We worden er melig van. Ik stel voor de gein een andere vraag. ‘Wat roept de vrouw?’ Hij kan vast wel op het woord ‘help’ komen, vermoed ik.
Hij lacht. ‘Ober, een koffie!’

hapje

Ik heb in het winkeltje van de kantine net even een appelflap gehaald. Ik heb een tussenuur. Kan ik me op verheugen. Nakijken met een appelflap. Ik loop over de gangen met mijn lekkernij, als ik een van mijn mentorleerlingen uit 6V tegenkom. Ze ziet wat ik in mijn hand heb en gaat direct met haar ogen wijdopen voor me staan.
‘Lekker Loet, mag ik een hapje?’

leergierig

In een van mijn brugklassen zit een druktemaker halverwege de rij voor mijn bureau. Dat wil zeggen, hij zit nooit. Hij hangt over zijn tafel, op zijn knieën op zijn stoel en weet altijd precies wat er bij anderen in het schrift staat. Als ik heb uitgelegd hoe je een voorzetsel kan herkennen in de zin, gaat hij met zijn veel rustigere buurman helemaal los op de tekst in het boek. ‘Ik heb er weer eentje!’

Hij houdt zich niet aan de regels, ik zie vaker zijn achterhoofd dan zijn voorkant, maar als ik hem aanspreek, kijkt hij me met zijn enorme ogen over zijn dikke brillenglazen aan. ‘Sorry mevrouw, maar ik vind dit leuk!’