zit

De beker staat op tafel. Het boek ligt op tafel. De pen zit in mijn etui. Het is me wat voor de Spaanstaligen. Ze raken er niet over uit gepraat. ‘Waarom maken jullie het zo moeilijk? Waarom moet ik eerst nadenken of een telefoon een kont heeft voordat ik kan bepalen of hij op tafel zit of ligt??’ vraagt een van mijn leerlingen zich hardop af. ‘Dingen zitten niet op tafel. Je telefoon zit in je jaszak, maar nooit op tafel,’ antwoord ik. ‘Maar je kat zit op tafel.’Ze schudt haar hoofd. 

Ik probeer het geduldig nog een keer. 

‘Ik begrijp je,’ knikt ze. ‘Maar mijn kat mag niet op tafel. Hij zit op de vloer.’ 

Advertenties

kat

House of Cards is een ding hier. Iedereen kijkt het. Er is weinig vertrouwen in de politiek en dat wordt . Als hier een politicus zich afhankelijk maakt van andere landen of bedrijven, noemen ze hem ‘gato’, het Spaanse woord voor kat. De oorsprong hiervan ligt in de wereld van de drugs. ‘Macri gato’, staat er op muren gekalkt.
Een muur is door een paar fans helemaal beschilderd met een afbeelding van Frank en Claire Underwood, met eronder ‘Votá (stem) Underwood’ in dezelfde letters die ze gebruiken als ze normaal gesproken aanmoedigen om op presidentskandidaten te stemmen. Eroverheen heeft iemand met rode letters gekalkt: ‘Frank cat’. Misschien was hij bang dat Frank anders niet zou begrijpen wat er bedoeld werd…

verstandig

We zitten samen mojito’s weg te drinken. Elke keer als ik denk, dit is de laatste, kijken we elkaar aan: nog eentje doen?
We praten nou eenmaal veel. En we hebben de tijd. We hebben alleen niet al te veel geld.
‘Vijfhonderd peso’s heb ik,’ beken ik.
‘Ik ook,’ knikt ze.
De serveerster komt met een brede glimlach vragen of we er nog eentje willen.
‘Dat hangt ervanaf,’ zeg ik. ‘Hoeveel hebben we staan?’
Ze komt terug van de kassa en glimlacht opnieuw. ‘Als je er allebei nog een neemt, sta je op 980 peso’s.’ Verstandige volwassen vrouwen zouden nu moeten zeggen: dan stoppen we nu, anders kan ik morgen geen eten kopen.
‘Doe maar,’ lach ik naar de serveerster.

goudlokje en de beren

Mijn hosts hebben weer eens uitgebreid gekookt. Ik mag mee-eten. Nadat ik twee keer netjes gevraagd heb of ze wel genoeg hebben. Niet dat ik daaraan twijfelde, maar omdat het nou eenmaal beleefd is. Vinden ze onzin. Ze maken altijd extra, want je weet nooit wie er aanschuift. En ze vragen niet of je mee wilt eten, als ze het uit hun eigen mond moeten sparen, daar mag ik vanuitgaan.
Het gesprek komt op mijn blonde haren. Die ooit nog veel blonder waren. Ze lachen. ‘Was dat niet zo’n sprookje,’ vraagt hij aan zijn vrouw. ‘Goudlokje?’
‘Ja,’ knikt ze. ‘Ging over een meisje dat het huis van de beren binnenkwam, alles opat en nooit meer wegging.’

vegetarisch

Mijn leerlinge Nederlands vordert snel. We praten Nederlands intussen, maar soms moet ik even een zin voor haar uitschrijven, zodat ze ziet wat ik zeg. Of zodat ze ziet wat ze anders moet doen.
‘We aten vegetarisch,’ is een zin die maar niet blijft hangen.
‘Dat is alleen maar een bijvoeglijk naamwoord. Moet er niet iets achter?’ vraagt ze in het Spaans.
Ik leg haar uit dat dat in dit geval niet hoeft.
‘Maar er mist iets als ik dit zeg.’
Ze kijkt even peinzend over haar mate heen naar de zin.
Dan kijkt ze lachend op. ‘Vlees.’

dansen

Ik heb een skypegesprek met een groep 7/8 in Nederland. De leerlingen vuren om de beurt hun vragen op me af. Zo heb ik intussen verteld dat voetbal de belangrijkste sport is en dat Argentijnen vooral veel zoete dingen eten en vlees. Weinig groente. Voor een van de jongens klinkt dit als de hemel op aarde. ‘Ik hou van Argentinië,’ komt er uit de grond van zijn hart.
Een meisje vraagt me welke dansen er belangrijk zijn in Buenos Aires. Ik noem wat verschillende dansen op en benadruk dat alle jongens hier dansen, dat het macho is als je kan dansen. Het meisje gaat tevreden zitten. ‘Hou je nu nog steeds van Argentinië?’ mompelt ze richting de jongen.

naartoe

Ik heb voor een leerling een werkblad gevonden waarop in het Nederlands vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven door getekende mensjes. De vragen en antwoorden staan door elkaar en moeten bij elkaar worden gezocht. De mensjes stellen soms voor een Argentijn rare vragen, zoals: ‘Hoe laat gaat de bus?’ (alsof iemand dat weet).
De vraag: ‘Waar ga je naartoe?’ wordt gesteld door een vrouw. Mijn leerling kauwt even op de vraag en schudt dan zijn hoofd. ‘Naartoe??’ Ik vertaal de vraag. ‘Oh,’ knikt hij begrijpend. ‘Vandaar dat ze zo boos kijkt. Dan weet ik ook al welk antwoord erbij hoort.’ Hij wijst een angstige man aan.
En warempel. ‘Naar het café,’ is het antwoord van de man.