goudlokje en de beren

Mijn hosts hebben weer eens uitgebreid gekookt. Ik mag mee-eten. Nadat ik twee keer netjes gevraagd heb of ze wel genoeg hebben. Niet dat ik daaraan twijfelde, maar omdat het nou eenmaal beleefd is. Vinden ze onzin. Ze maken altijd extra, want je weet nooit wie er aanschuift. En ze vragen niet of je mee wilt eten, als ze het uit hun eigen mond moeten sparen, daar mag ik vanuitgaan.
Het gesprek komt op mijn blonde haren. Die ooit nog veel blonder waren. Ze lachen. ‘Was dat niet zo’n sprookje,’ vraagt hij aan zijn vrouw. ‘Goudlokje?’
‘Ja,’ knikt ze. ‘Ging over een meisje dat het huis van de beren binnenkwam, alles opat en nooit meer wegging.’

Advertenties

gewoonte

Als alle vrienden weg zijn, is het bezoekuur ook eigenlijk voor mij voorbij. Maar dat vindt hij een beetje te snel. Hij doet zich ineens heel zielig voor naar de zuster. ‘Ik kan zo niet die soep eten, met een hand,’ klaagt hij.
‘Laat haar maar even helpen dan,’ knikt ze. Ze loopt brommend weer weg. Totaal niet de bedoeling dit.
Terwijl ik hem rustig zijn troebele-soep-zonder-zout voer, waarom haasten, we hebben de tijd, komt ze weer teruglopen.
‘Maar pas op, he,’ zegt ze streng tegen mij. Ik word een beetje bang van d’r. ‘Zeg hem wel dat je hier geen gewoonte van gaat maken. Straks wil hij niet anders meer.’

milanesa

Hij ligt ter observatie in het ziekenhuis na een motorongeluk dat gelukkig geen blijvende schade bij hem heeft opgeleverd. Tijdens de bezoekuren is het geen moment stil aan zijn bed. Al z’n vrienden komen even met eigen ogen kijken of hij nog in leven is.
Intussen wordt ook zijn eten gebracht. ‘Ah,’ roept een van zijn vrienden uit als die het deksel van het bord afhaalt. ‘Je hebt milanesa (een soort schnitzel met kilo’s mozzarella en tomaat)!’
Zijn ogen lichten op. Dan valt het toch nog wel mee in het ziekenhuis. ‘En serio?’
‘Nee,’ lacht de zogenaamde vriend terwijl hij het bord met de wortelprak en troebele groene soep naar hem toedraait.

duurt lang

We zitten op het dakterras. Een van mijn huisgenootjes is voor ons aan het koken, maar voor de huisbaas duurt het allemaal wat lang. Dat laatste is bijzonder. Normaalgesproken eet hij pas tegen twaalven. Maar het is volkomen duidelijk: hoe dankbaar hij ook is dat er voor hem gekookt wordt, hij heeft honger.

Ondertussen vertelt zijn vrouw dat een van ons een nieuwe kamer heeft gevonden.

‘Ah, gaat ze weg?’ lacht hij schamper. ‘Lekker is dat. Nou begrijp ik ook waarom het zo lang duurt. Die is natuurlijk al vertrokken en ze heeft ons eten meegenomen. Die zit vier straten verder dat vreten zelf op te kanen.’

eten

In het studentenhuis waar ik woon, sta ik voor mezelf te koken. Ik heb soep op het vuur staan, daar roer ik af en toe in. Ik leg een stokbrood in de oven en zet vast een bakje kruidenkaas klaar. Het is geen bijzonder voedzame maaltijd maar het kan er mee door. Mijn huisgenoot komt de keuken binnen wandelen. Hij kijkt in de soeppan en snuift eens diep. Daarna gluurt hij in de oven en knikt goedkeurend. Dan kijkt hij mij aan, alsof hij me nu pas ziet staan. ‘Wat ga je eten?’ vraagt hij.