boekenbeurs

Toen ik voor het eerst ‘De schaduw van de wind’ las, was ik onder de indruk van het verhaal. Het was weer als een sprookje. De beschrijving van de stad Barcelona, de karakters en het spelen met goed en kwaad. Het was alsof ik weer net als vroeger een boek had dat ik opnieuw en opnieuw wilde lezen. Er kwamen nog twee boeken van dezelfde reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. En nooit kon ik het mijn leerlingen aanraden. Het was door een Spanjaard geschreven en het is, waarschijnlijk, want wat weet ik er nou van, geen literatuur. Door die enorme druk op leerlingen om alleen maar literatuur op hun lijst te zetten, en al het andere vooral pulp te vinden, minderwaardig, vinden de taferelen die zich hier dit weekend afspeelden, in Nederland nooit plaats.
Op de boekenmarkt in Buenos Aires, per dag bezocht door honderdenduizenden(!), signeerde schrijver Carlos Ruiz Zafon zijn nieuwste deel in de reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. Omdat ik intussen Spaans spreek, heb ik het laatste deel in het Spaans gekocht. En na drieënhalf uur wachten in een rij vol met huilende fanmeisjes in de leeftijd van 16 tot 25 jaar, heeft de schrijver mijn exemplaar gesigneerd.
Jongeren hebben hier ook een smartphone, waar ze continu mee in de weer zijn, begrijp me niet verkeerd, ik zie heus wel dat ook hier leerlingen niet makkelijk aan het leren te krijgen zullen zijn. Maar lezen, is hier iets heel normaals. Ze lezen hier wat ze willen lezen. Niemand vindt dat stom. Schrijvers hebben hier popsterrenstatus. En terecht.
Overigens vertelde ik Zafon trots in het Spaans dat dit mijn eerste keer in het Spaans wordt, en ik alle andere in het Nederlands heb gelezen. Hij lachte en zei iets terug. Niet verstaan. Het kan nog wel even duren voordat ik dit boek uitheb…

Advertenties

moe

Mijn zes leerlingen Engels zitten werkwoorden te oefenen. Ze moeten werkwoorden gebruiken waar je altijd ‘to+infinitief’ achter moet gebruiken, zoals ‘he would love to be famous’. In het bedrijf is het het begin van een nieuwe maand, de oude maand moet worden afgesloten, ze komen om in het werk en hebben ook nog Engels. Ze werken op dit moment soms tien uur per dag. Ze zijn kapot. De stof komt niet echt bij ze binnen. 

Ik vraag een van de jongens of hij voor mij een zin wil maken. 

Hij kijkt me wanhopig aan. ‘I want to go home.’ 

Engels

Shirts met een Engelse opdruk. Je kunt er in dit land niet vanuit gaan dat de eigenaars weten wat de tekst betekent.
Maar er zijn ook gevallen waarbij je zeker weet dat ze begrijpen wat er staat.
Gisteren was liep ik een rondje over de begraafplaats van Recoletta, om de tijd te doden, toen me een meisje tegemoet kwam lopen met de tekst ‘Immortal Youth’ over de breedte van haar borsten.
Daarna op weg naar huis zag ik een oudere vrouw staan die met haar hand in haar broek haar kruis stond te krabben. Op haar shirt stond in grote letters: ‘The best pants are no pants at all’.

beveiliger

Ik ga elke dag twee keer het ziekenhuis in. En loop er twee keer per dag weer uit. De beveiliger hielp me de eerste keer de juiste verdieping en zaal vinden. Hij is heel vriendelijk en vraagt steeds hoe het met mijn vriend gaat.
Als hij het ziekenhuis eindelijk mag verlaten en we de hal inlopen, zie ik hem staan. Ik wil mijn vriend aan hem voorstellen, aan de beveiliger laten zien hoe goed het nu met hem gaat.
Voordat ik iets kan zeggen, zegt hij lachend: ‘Kijk wie we daar hebben.’
Tot mijn stomme verbazing (en die van de beveiliger) kennen ze elkaar al. Allebei voetbalfan. Allebei San Lorenzo.

gewoonte

Als alle vrienden weg zijn, is het bezoekuur ook eigenlijk voor mij voorbij. Maar dat vindt hij een beetje te snel. Hij doet zich ineens heel zielig voor naar de zuster. ‘Ik kan zo niet die soep eten, met een hand,’ klaagt hij.
‘Laat haar maar even helpen dan,’ knikt ze. Ze loopt brommend weer weg. Totaal niet de bedoeling dit.
Terwijl ik hem rustig zijn troebele-soep-zonder-zout voer, waarom haasten, we hebben de tijd, komt ze weer teruglopen.
‘Maar pas op, he,’ zegt ze streng tegen mij. Ik word een beetje bang van d’r. ‘Zeg hem wel dat je hier geen gewoonte van gaat maken. Straks wil hij niet anders meer.’

milanesa

Hij ligt ter observatie in het ziekenhuis na een motorongeluk dat gelukkig geen blijvende schade bij hem heeft opgeleverd. Tijdens de bezoekuren is het geen moment stil aan zijn bed. Al z’n vrienden komen even met eigen ogen kijken of hij nog in leven is.
Intussen wordt ook zijn eten gebracht. ‘Ah,’ roept een van zijn vrienden uit als die het deksel van het bord afhaalt. ‘Je hebt milanesa (een soort schnitzel met kilo’s mozzarella en tomaat)!’
Zijn ogen lichten op. Dan valt het toch nog wel mee in het ziekenhuis. ‘En serio?’
‘Nee,’ lacht de zogenaamde vriend terwijl hij het bord met de wortelprak en troebele groene soep naar hem toedraait.

de vijfde

Ik geef op maandagmiddag twee uur Engels aan zes meiden op een kantoor. Ze werken voor een internationaal bedrijf en ze moeten Engels spreken tegen hun klanten. Wie had ooit gedacht dat ik nog eens Engels zou geven. Ik niet.
We stappen na de les op de vijfde verdieping in de lift. Zij gaan terug naar de vierde, ik ga naar huis.
Er staan twee mannen in de lift. Op leeftijd.
‘Kan ik jullie even een vraag stellen?’ vraagt de oudste.
We knikken.
‘Hoe komt het toch dat op de vijfde verdieping alleen maar mooie meisjes werken?’
Zonder met haar ogen te knipperen, haalt een van mijn leerlingen haar schouders op. ‘Geen idee. We werken op de vierde.’

payday

Net als in de bibliotheek moet ik hier ook bij elk bezoek aan een kantoorgebouw mijn paspoort laten zien en mijn tas laten controleren op laptops en telefoons. Ik geef op een dag in drie verschillende gebouwen les. De receptionisten kennen me. Begroeten me met ‘hola profe,’ wat zoveel betekent als ‘hoi juf’. En toch moet ik elke keer mijn paspoort laten zien.
Vandaag is het payday. Ik mag mijn geld van een halve maand werken op komen halen in een ander gebouw. Een envelop ligt voor me klaar bij de receptie. Vijfentwintig briefjes van 100 peso’s. Ik zeg mijn naam en ik krijg hem zo mee. Geen paspoort, niks. En deze man heeft me nog nooit gezien.

opa

Omdat het langzaam kouder wordt hier, wordt het wel eens tijd om mijn sandalen te verwisselen voor dichte schoenen. Hij heeft ook schoenen nodig, dus we gaan shoppen. Er is hier en daar uitverkoop. ‘Twee voor een ongelooflijke prijs,’ staat er over de gehele ruit van de etalage van een schoenenwinkel geschreven.
Hij kijkt ernaar en lacht schamper. ‘Alsof ik aan één schoen genoeg zou hebben. Ik wil er natuurlijk sowieso twee.’ Hij kijkt mijn kant op. Ik ben even druk bezig in mijn hoofd. Heel even leek het namelijk alsof ik naast mijn opa stond. Maar nee. Het was echt mijn vriend.

broek uit

Ik heb een nieuwe broek gekocht. Nu heb ik, naast mijn jurk nog een outfit om aan te trekken als ik op les geef bij mensen op kantoor. Ik vertel dat trots aan mijn Amerikaanse vriendinnetje. ‘Als het dan wat kouder is, trek ik mijn broek aan,’ leg ik uit, ‘en als het dan wat warmer is…’ Ze knikt. Ze begrijpt blijkbaar dat ik dan mijn jurk wil dragen. ‘Dan trek je je broek uit,’ knikt ze verder met haar begrijpendste gezicht. Toch niet helemaal.