goudlokje en de beren

Mijn hosts hebben weer eens uitgebreid gekookt. Ik mag mee-eten. Nadat ik twee keer netjes gevraagd heb of ze wel genoeg hebben. Niet dat ik daaraan twijfelde, maar omdat het nou eenmaal beleefd is. Vinden ze onzin. Ze maken altijd extra, want je weet nooit wie er aanschuift. En ze vragen niet of je mee wilt eten, als ze het uit hun eigen mond moeten sparen, daar mag ik vanuitgaan.
Het gesprek komt op mijn blonde haren. Die ooit nog veel blonder waren. Ze lachen. ‘Was dat niet zo’n sprookje,’ vraagt hij aan zijn vrouw. ‘Goudlokje?’
‘Ja,’ knikt ze. ‘Ging over een meisje dat het huis van de beren binnenkwam, alles opat en nooit meer wegging.’

Advertenties

vegetarisch

Mijn leerlinge Nederlands vordert snel. We praten Nederlands intussen, maar soms moet ik even een zin voor haar uitschrijven, zodat ze ziet wat ik zeg. Of zodat ze ziet wat ze anders moet doen.
‘We aten vegetarisch,’ is een zin die maar niet blijft hangen.
‘Dat is alleen maar een bijvoeglijk naamwoord. Moet er niet iets achter?’ vraagt ze in het Spaans.
Ik leg haar uit dat dat in dit geval niet hoeft.
‘Maar er mist iets als ik dit zeg.’
Ze kijkt even peinzend over haar mate heen naar de zin.
Dan kijkt ze lachend op. ‘Vlees.’

dansen

Ik heb een skypegesprek met een groep 7/8 in Nederland. De leerlingen vuren om de beurt hun vragen op me af. Zo heb ik intussen verteld dat voetbal de belangrijkste sport is en dat Argentijnen vooral veel zoete dingen eten en vlees. Weinig groente. Voor een van de jongens klinkt dit als de hemel op aarde. ‘Ik hou van Argentinië,’ komt er uit de grond van zijn hart.
Een meisje vraagt me welke dansen er belangrijk zijn in Buenos Aires. Ik noem wat verschillende dansen op en benadruk dat alle jongens hier dansen, dat het macho is als je kan dansen. Het meisje gaat tevreden zitten. ‘Hou je nu nog steeds van Argentinië?’ mompelt ze richting de jongen.

naartoe

Ik heb voor een leerling een werkblad gevonden waarop in het Nederlands vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven door getekende mensjes. De vragen en antwoorden staan door elkaar en moeten bij elkaar worden gezocht. De mensjes stellen soms voor een Argentijn rare vragen, zoals: ‘Hoe laat gaat de bus?’ (alsof iemand dat weet).
De vraag: ‘Waar ga je naartoe?’ wordt gesteld door een vrouw. Mijn leerling kauwt even op de vraag en schudt dan zijn hoofd. ‘Naartoe??’ Ik vertaal de vraag. ‘Oh,’ knikt hij begrijpend. ‘Vandaar dat ze zo boos kijkt. Dan weet ik ook al welk antwoord erbij hoort.’ Hij wijst een angstige man aan.
En warempel. ‘Naar het café,’ is het antwoord van de man.

rol

‘Ga je mee naar een bandje kijken?’
De avond zelf vermengt zich met een tijd die ver achter me leek te liggen. De gitarist die strak van de spanning iedereen nog voor de ingang met een schreeuw en een knuffel begroet, een tikje aangeschoten. De zwartgeschilderde zaal, de mensen met band-T-shirts, lang en gekleurd haar, het publiek van slechts vrienden die alles meezingen, de gefrustreerde gitarist die na zijn gedwongen vertrek nog steeds naar optredens komt, de avond wordt beheerst door nieuwe personages die hun vertrouwde rol innemen. Alleen ik speel een heel andere rol. Ik heb dit keer geen enkel belang bij het trekken van iemands aandacht. En omdat ik me jarenlang op deze rol heb verheugd, speel ik hem met verve.

boekenbeurs

Toen ik voor het eerst ‘De schaduw van de wind’ las, was ik onder de indruk van het verhaal. Het was weer als een sprookje. De beschrijving van de stad Barcelona, de karakters en het spelen met goed en kwaad. Het was alsof ik weer net als vroeger een boek had dat ik opnieuw en opnieuw wilde lezen. Er kwamen nog twee boeken van dezelfde reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. En nooit kon ik het mijn leerlingen aanraden. Het was door een Spanjaard geschreven en het is, waarschijnlijk, want wat weet ik er nou van, geen literatuur. Door die enorme druk op leerlingen om alleen maar literatuur op hun lijst te zetten, en al het andere vooral pulp te vinden, minderwaardig, vinden de taferelen die zich hier dit weekend afspeelden, in Nederland nooit plaats.
Op de boekenmarkt in Buenos Aires, per dag bezocht door honderdenduizenden(!), signeerde schrijver Carlos Ruiz Zafon zijn nieuwste deel in de reeks over het Kerkhof van de Vergeten Boeken. Omdat ik intussen Spaans spreek, heb ik het laatste deel in het Spaans gekocht. En na drieënhalf uur wachten in een rij vol met huilende fanmeisjes in de leeftijd van 16 tot 25 jaar, heeft de schrijver mijn exemplaar gesigneerd.
Jongeren hebben hier ook een smartphone, waar ze continu mee in de weer zijn, begrijp me niet verkeerd, ik zie heus wel dat ook hier leerlingen niet makkelijk aan het leren te krijgen zullen zijn. Maar lezen, is hier iets heel normaals. Ze lezen hier wat ze willen lezen. Niemand vindt dat stom. Schrijvers hebben hier popsterrenstatus. En terecht.
Overigens vertelde ik Zafon trots in het Spaans dat dit mijn eerste keer in het Spaans wordt, en ik alle andere in het Nederlands heb gelezen. Hij lachte en zei iets terug. Niet verstaan. Het kan nog wel even duren voordat ik dit boek uitheb…

moe

Mijn zes leerlingen Engels zitten werkwoorden te oefenen. Ze moeten werkwoorden gebruiken waar je altijd ‘to+infinitief’ achter moet gebruiken, zoals ‘he would love to be famous’. In het bedrijf is het het begin van een nieuwe maand, de oude maand moet worden afgesloten, ze komen om in het werk en hebben ook nog Engels. Ze werken op dit moment soms tien uur per dag. Ze zijn kapot. De stof komt niet echt bij ze binnen. 

Ik vraag een van de jongens of hij voor mij een zin wil maken. 

Hij kijkt me wanhopig aan. ‘I want to go home.’